<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:5545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-04T13:22:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/096837-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5545">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5545</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-04T08:52:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:5545 Rechtbank Amsterdam , 14-07-2022 / 13/096837-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5545:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, executie, verweer artikel 12 OLW, overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5545:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/096837-22 (EAB II)</para>
      <para>RK nummer: 22/2110</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 14 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 april 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 9 november 2021 door <emphasis role="italic">the District Court of Lublin </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976, </para>
      <para>verblijfadres: [adres], [plaats],</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting van 9 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. Laros, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 23 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 23 juni 2022 het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aantal vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over het proces dat heeft geleid tot de beslissing van <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Lublin </emphasis>van 8 december 2020, gelet op artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 7 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling met instemming van de partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 7 juli 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. Laros, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgment of the District Court of Lublin </emphasis>(Polen) van 13 juli 2018 (referentie: IV K 323/16). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van 1 juni 2022 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat <emphasis role="italic">the Court of appeal of Lublin</emphasis> op 8 december 2020 uitspraak in hoger beroep heeft gedaan (IV K 323/16) waarbij voormeld vonnis in stand is gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van <emphasis role="italic">the Court of appeal of Lublin</emphasis> van 8 december 2020 (hierna: arrest).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman voert aan dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd gelet op artikel 12 OLW. De aanvullende informatie van 1 juli 2022 vermeldt niet of <emphasis role="italic">the Court of appeal of Lublin </emphasis>definitief uitspraak heeft gedaan. Het is voor de raadsman niet duidelijk hoe het zit met het ingestelde cassatieberoep en of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. In de verstrekte informatie van 16 mei 2022 staat dat het cassatieberoep ‘<emphasis role="italic">was not considered</emphasis>’ maar uit de aanvullende informatie van 1 juli 2022 blijkt niet wat daarmee wordt bedoeld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft daartegen aangevoerd dat kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW, omdat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon met zich brengt. De cassatieprocedure behelst geen hernieuwde inhoudelijke behandeling van de zaak. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2022 blijkt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Lublin</emphasis> op 8 december 2020 definitief uitspraak heeft gedaan. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de lopende procedure en hij heeft via zijn advocaat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 13 juli 2018. De oproeping voor de zitting is naar het opgegeven adres verstuurd, maar de opgeëiste persoon heeft die oproeping niet ontvangen omdat hij naar het buitenland was vertrokken zonder iets te laten weten of contact te zoeken over het verdere verloop van de procedure. De opgeëiste persoon heeft op grond van het voorgaande zijn verdedigingsrechten voldoende kunnen uitoefenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 1 juni 2022 blijkt dat <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Lublin</emphasis> bij arrest van 8 december 2020 het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd. Verder blijkt daaruit dat raadsman van de opgeëiste persoon hiertegen cassatie had ingesteld waarna vermeld is dat “<emphasis role="italic">the cassation appeal was not considered”</emphasis>. Uit de aanvullende informatie van 1 juli 2022 volgt dat <emphasis role="italic">the Court of appeal of Lublin</emphasis> bij arrest van 8 december 2020 definitief uitspraak heeft gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld (als bedoeld in het arrest HvJ EU 10 augustus 2017, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas). De rechtbank zal daarom alleen het proces in hoger beroep dat geleid heeft tot het arrest van 8 december 2020 toetsen aan artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van voornoemd arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie van 1 juli 2022 staat onder meer vermeld dat de opgeëiste persoon op 13 juli 2018 in persoon een brief van de rechtbank heeft ontvangen waarin hij geïnformeerd is over de verlenging van de vaste termijn om de overwegingen van het vonnis op te stellen. De (toegevoegde) advocaat van de opgeëiste persoon heeft vervolgens ten gunste van hem hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In de aanvullende informatie van 1 juni 2022 staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet op de zitting in hoger beroep is verschenen, en dat de correspondentie over het hoger beroep verstuurd is naar het adres dat de opgeëiste persoon had opgegeven. Deze correspondentie is afgehaald door een huisgenoot van de opgeëiste persoon. Verder is vermeld dat de opgeëiste persoon blijkens een brief van hem van 11 december 2020 op de hoogte was van het arrest van 8 december 2020 omdat hij in die brief heeft aangegeven in cassatie te willen gaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van de hiervoor weergegeven informatie concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon wist dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep en van de mogelijkheden om hoger beroep in te stellen, waar ook van gebruik is gemaakt. Toch is de opgeëiste persoon naar het buitenland vertrokken zonder dat hij zich op de hoogte heeft gehouden over het verdere verloop van de hoger beroepsprocedure. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW en verwerpt het verweer van de raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Tussenuitspraak 23 juni 2022 </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 23 juni 2022. Hierin heeft de rechtbank de strafbaarheid al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_33efaf7b-a3d8-4c12-9c4b-c81260ace204" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Lublin </emphasis>(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. P. van Kesteren,  				                         	    		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh,                        			   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_33efaf7b-a3d8-4c12-9c4b-c81260ace204" label="1">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>