<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:5538</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-27T16:36:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751017-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5538">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5538</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-27T15:57:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:5538 Rechtbank Amsterdam , 08-06-2022 / 13/751017-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5538:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, executie, artikel 12 OLW, overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5538:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751017-22 </para>
      <para>RK nummer: 22/78</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 8 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 januari 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 2 februari 2021 door <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1972, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>	verblijvend aan de [verblijfadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 mei 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgment </emphasis>van de <emphasis role="italic">District Court Poznań-Grunwald and Jezyce in Poznań </emphasis>(Polen) van 11 september 2017 (referentie VIII K 1125/16), “<emphasis role="italic">partially amended</emphasis>” bij <emphasis role="italic">judgment </emphasis>van 7 maart 2018 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań </emphasis>(referentie XVII Ka 1534/17).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 7 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman voert aan dat de behandeling van het verzoek tot overlevering pas op zitting is gepland, nadat hij daarover aan de bel had getrokken en de opgeëiste persoon al vier maanden in overleveringsdetentie had doorgebracht. Daarmee is sprake van een overschrijding van de beslistermijn en een onterechte detentieperiode. Doordat de opgeëiste persoon in Nederland al vier maanden in overleveringsdetentie heeft doorgebracht, resteert slechts een uit te zitten gevangenisstraf van twee maanden (van de in Polen opgelegde gevangenisstraf van zes maanden). Dit betekent dat de overlevering moet worden geweigerd op basis van artikel 7 OLW. Dat artikel vereist voor overlevering de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van tenminste vier maanden. De genoemde twee argumenten vormen volgens de raadsman zelfstandig, maar ook in samenhang bezien, aanleiding om de overlevering te weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in deze procedure alleen de hoogte van de opgelegde straf wordt getoetst en dat ook na het verstrijken van de beslistermijn door de rechtbank nog wel op het verzoek om overlevering moet worden beslist. Beide argumenten vormen geen grond voor weigering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. In het EAB is onder rubriek c) vermeld dat aan de opgeëiste persoon een gevangenisstraf is opgelegd van zes maanden en dat deze gevangenisstraf nog geheel moet worden ondergaan. Uit artikel 2, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en artikel 7 OLW) volgt dat bij de vraag of aan de voorwaarden voor overlevering is voldaan, de duur van de opgelegde vrijheidsstraf doorslaggevend is. </para>
      <para>Nu sprake is van een opgelegde vrijheidsstraf van een langere duur dan vier maanden, is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder b OLW. Niet aannemelijk is geworden dat ten tijde van deze uitspraak geen strafrestant meer bestaat en dat het hiervoor genoemde arrest dus niet meer voor tenuitvoerlegging vatbaar is. De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verstrijken van de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank op het overleveringsverzoek moet beslissen, leidt er naar vaste jurisprudentie van deze rechtbank weliswaar toe dat er geen grond meer is voor overleveringsdetentie, maar dit betreft geen weigeringsgrond. Overschrijding van de in artikel 22, derde lid, OLW bedoelde termijn van 90 dagen staat immers niet in de weg aan een beslissing op het EAB. Integendeel: de overschrijding heeft niet tot gevolg dat de verplichting om op het EAB te beslissen, vervalt.<footnote-ref linkend="_4a2a3710-3fc0-4660-905a-9cc894333e58" /> De rechtbank verwerpt het verweer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu beide verweren falen, kunnen deze ook in samenhang bezien niet leiden tot weigering van de overlevering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft zijn raadsman hoger beroep laten instellen tegen het vonnis, maar heeft vervolgens niets meer van de procedure in hoger beroep vernomen en de raadsman was niet gemachtigd om de verdediging te voeren. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, aangezien een gemachtigd advocaat ter terechtzitting in hoger beroep daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd (artikel 12, aanhef en onder b, OLW).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB leidt de rechtbank af dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.<footnote-ref linkend="_8458b1a1-8ab8-41d7-97b1-b19dd567081d" /> Alleen de procedure in hoger beroep bij <emphasis role="italic">the Regional Court in Poznań</emphasis> van 7 maart 2018 valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt verder vast dat het arrest – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Evenmin is een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Daarbij overweegt de rechtbank dat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat het geven van een machtiging tot het instellen van hoger beroep eveneens een machtiging inhoudt om bij afwezigheid van de verdachte ter zitting zijn verdediging te voeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Om die reden kan de overlevering op basis van artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van deze bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft een gekozen raadsman hoger beroep in laten stellen tegen het vonnis in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was er dus van op de hoogte dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Uit het EAB blijkt dat de oproep voor de zitting in hoger beroep naar een door de opgeëiste persoon opgegeven adres is verstuurd. Verder is hij geïnstrueerd over zijn rechten en plichten als verdachte, in het bijzonder de wijze waarop hij bereikbaar voor justitie moest blijven. Hij is daarbij expliciet gewezen op de omstandigheid dat hij bereikbaar moest blijven op zijn adres voor oproepingen van justitie, dat hij eventuele adreswijzigingen moest doorgeven en hij is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichtingen. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van de opgeëiste persoon om (al dan niet bij zijn raadsman) te informeren over de datum voor de zitting in hoger beroep en het verdere verloop van die procedure. De rechtbank ziet het op zijn minst genomen als een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon dat hij dit niet heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank vormt overlevering daarom in dit geval geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal door twee of meer verenigde personen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań</emphasis> (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. R. Godthelp en D.A. Segbedzi,                         				   	  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.M. Rus,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4a2a3710-3fc0-4660-905a-9cc894333e58" label="1">
    <para>Zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 juli 2015, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474 (<emphasis role="italic">Lanigan</emphasis>), ov. 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8458b1a1-8ab8-41d7-97b1-b19dd567081d" label="2">
    <para>De rechtbank verwijst naar HvJ EU 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (<emphasis role="italic">Tupikas</emphasis>).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>