<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:5087</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T12:27:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/2569</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5087">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:5087</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-01T12:27:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:5087 Rechtbank Amsterdam , 29-08-2022 / AWB 22/2569</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5087:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak, beroep ongegrond, te late aanvraag vrijwillige verzekering is niet verschoonbaar, geen sprake van bijzondere omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:5087:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/2569 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van29 augustus 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Marokko, eiser</bridgehead>
    <para>( [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Diamant).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 25 februari 2022 heeft verweerder eiser geweigerd toe te laten tot de vrijwillige verzekering onder de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene Nabestaandenwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 22 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op een zitting van 29 augustus 2022. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Een vrijwillige verzekering is alleen mogelijk als de aanvraag binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering in Nederland is aangevraagd.<footnote-ref linkend="_209dba17-ed61-44e4-bd88-78cb4fd1117c" /> Eiser is op<?linebreak?>21 september 2020 uit Nederland vertrokken, waardoor zijn verplichte verzekering is geëindigd. Dit betekent dat hij tot 22 september 2021 een aanvraag voor een vrijwillige verzekering kon indienen. Eiser heeft op 20 december 2021 een aanvraag voor vrijwillige verzekering ingediend. De aanvraag van eiser is dus te laat ingediend.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is het met verweerder eens dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan het eiser niet kan worden tegengeworpen dat zijn aanvraag te laat is ingediend.<footnote-ref linkend="_84a33bb0-e016-4bd3-a17f-d56dbe567a6e" /> Eiser voert aan dat door de coronapandemie veel post is vertraagd of zelfs kwijtgeraakt, waardoor hij niet is geïnformeerd over de stopzetting van zijn AOW-opbouw. De rechtbank stelt met verweerder vast dat verweerder eiser niet heeft hoeven informeren dat zijn AOW-opbouw was gestopt. Dit blijkt uit vaste jurisprudentie.<footnote-ref linkend="_4196c6c7-e624-4035-bb8d-5bbac584f728" /> Het was de verantwoordelijkheid van eiser zelf om zich na zijn vertrek uit Nederland goed te (laten) informeren over de gevolgen daarvan.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert verder aan dat hij geen aanvraag heeft kunnen indienen, omdat de grenzen gesloten waren. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser na zijn vertrek uit Nederland voldoende de gelegenheid had om een digitale aanvraag in te dienen. Hij hoefde daarvoor Marokko of Melilla niet te verlaten. Ook kon hij telefonisch contact opnemen met verweerder om raad te vragen. Of hij had iemand kunnen machtigen om voor hem een aanvraag in Nederland in te dienen, zoals hij dat in deze beroepsprocedure ook heeft gedaan. Ondanks dat de grenzen dicht waren, had eiser dus een aanvraag kunnen indienen. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot verschoonbaarheid van de te late aanvraag kunnen leiden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig – Rocour, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>mr. I.G.A. Karregat, griffier, op 29 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier			</para>
      <para />
      <para>				 rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_209dba17-ed61-44e4-bd88-78cb4fd1117c" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 35, eerste lid, en artikel 36, eerste lid, van de AOW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_84a33bb0-e016-4bd3-a17f-d56dbe567a6e" label="2">
    <para> Volgens Beleidsregel SB1044.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4196c6c7-e624-4035-bb8d-5bbac584f728" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3009.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>