<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4982</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T18:50:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 19/5429</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2022102608</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2022-2949</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4982">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4982</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-26T10:45:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4982 Rechtbank Amsterdam , 24-08-2022 / AMS 19/5429</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4982:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>PKV (8:75a Awb), artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Toetsingscriteria vergoeden btw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4982:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 19/5429</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F.M. Meis),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [werkgever]
        </emphasis>, werkgever van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 11 oktober 2019 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 25 september 2019 (het bestreden besluit). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van 10 augustus 2020. Partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft het vooronderzoek heropend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 oktober 2021 en 24 mei 2022 heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft op 8 oktober 2021 een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Eiser heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in beroep en een bedrag van <?linebreak?>€ 2.510,75 (incl. btw) voor de kosten van het in de  beroepsfase opgemaakte deskundigenrapport van het Expertise Instituut.<footnote-ref linkend="_1cf0404c-850b-444c-8fa9-29440ae36640" />Eiser heeft de kosten met stukken aangetoond. De rechtbank sluit het onderzoek en zal uitspraak doen buiten zitting. Het verzoek is voor een deel gegrond en voor een deel ongegrond.<footnote-ref linkend="_bd7913f2-c602-4e0b-a175-b922ebe04cb0" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Forfaitaire kosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiser is tegemoetgekomen. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op de forfaitaire proceskostenvergoeding niet bestreden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De hoogte wordt forfaitair vastgesteld op € 748,- als kosten van verleende rechtsbijstand.<footnote-ref linkend="_0b99c12c-0d93-4bff-8d4d-3a3b8b5bf3d0" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Kosten deskundigenonderzoek – welk tarief is van toepassing?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>Het onderzoek is verricht door [verzekeringsarts] , en <?linebreak?>[arbeidsdeskundige] . Het deskundigenrapport is gedateerd op 20 februari 2020. Hoewel het feitelijke onderzoek, waarbij eiser bij de deskundige (verzekeringsarts) is verschenen, heeft plaatsgevonden in 2020, is de nota gedateerd op 10 december 2019 en is daarin het uurtarief van € 126,47 gehanteerd en is vermeld dat de uren in 2019 zijn geschreven.<footnote-ref linkend="_a9b470d9-7172-4d69-acfc-ababca74e8d2" /> Dat betekent dat in dit geval het uurtarief in 2019 van toepassing is. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag moet worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken.<footnote-ref linkend="_43670041-5b19-4f33-ac33-265d7860183e" /> Volgens het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (het Besluit) is een tarief van ten hoogste € 126,47 per uur vastgesteld (tarief in 2019).<footnote-ref linkend="_77b7ca35-6476-4a76-90fc-13e08b4e2cb5" /><footnote-ref linkend="_a140d889-c782-4755-b243-bd475586e629" /> In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>De kosten van de medische rapportage komen voor vergoeding in aanmerking voor zover de kosten het voor 2019 vastgestelde uurtarief van € 126,47 niet overschrijden niet overschrijden. </para>
          <para>Uit de nota van 10 december 2019 blijkt dat de deskundigen in totaal 13 uren aan het onderzoek hebben besteed. Dat aantal uren acht de rechtbank redelijk. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 1.644,11 (13 x € 126,47) voor vergoeding in aanmerking komt. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline italic">Kosten deskundigenonderzoek – administratiekosten</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In de nota van 10 december 2019 zijn administratiekosten van € 430,89 in rekening gebracht. De administratiekosten van € 430,89 komen niet voor vergoeding in aanmerking. De gevraagde kostenvergoeding van administratiekosten komt niet voor in de limitatieve opsomming in het Bpb. De gevraagde kostenvergoeding wordt in zoverre afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Kosten deskundigenonderzoek – moet verweerder btw vergoeden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>2.4.1</nr>
        <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers gemachtigde de btw mogelijk als voorbelasting kan aftrekken bij de Belastingdienst. Als eiser de btw kan aftrekken dient eiser niet voor vergoeding van de btw in aanmerking te komen.<footnote-ref linkend="_4aee19c5-292c-4a0a-ae3c-530f6bdadcb4" /> Eiser heeft verweerders standpunt in zijn brief van 24 mei 2022 bevestigd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.2</nr>
        <para>Hetgeen verweerder heeft aangevoerd is van toepassing indien (a) de nota van de deskundige is gericht (en geadresseerd) aan de gemachtigde en (b) indien de gemachtigde de mogelijkheid van vooraftrek heeft. Deze mogelijkheid is aan de orde bij een rechtspersoon die btw-plichtig is.<footnote-ref linkend="_dffba5d8-d524-4a21-969f-1c79832dd83a" /><footnote-ref linkend="_391b522c-9553-4c02-ac98-22420b03d980" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.4.3</nr>
        <para>De rechtbank stelt in de onderhavige zaak vast dat de nota van 10 december 2019 is geadresseerd aan eiser en niet aan zijn gemachtigde. De door de deskundigen in rekening gebrachte omzetbelasting drukt dus op eiser. Gesteld noch is gebleken dat eiser de mogelijkheid heeft btw af te trekken. Eisers gemachtigde had evenmin de mogelijkheid van vooraftrek, omdat de nota niet aan de gemachtigde (of het advocatenkantoor) is gericht. Verweerder dient dan ook de btw aan eiser te vergoeden. De hoogte van de btw stelt de rechtbank vast op € 345,26 (21% van € 1.644,11). Dit bedrag is lager dan de feitelijk aan eiser door de deskundigen in rekening gebrachte btw omdat de rechtbank het te vergoeden bedrag lager heeft vastgesteld, zoals overwogen in de rechtsoverwegingen 2.2.3 en 2.2.4.  </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De totale proceskostenvergoeding bedraagt derhalve € 2.737,37 (€ 748,- + <?linebreak?>€ 1.644,11 + € 345,26). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.	Verweerder dient aan eiser het betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden.<footnote-ref linkend="_3485a726-b4a3-4230-99e5-1c0cd8e24192" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van <?linebreak?>€ 2.737,37;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten voor het overige af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>24 augustus 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier				</para>
      <para />
      <para>			rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een hogerberoepschrift opsturen naar de Centrale Raad van Beroep in Utrecht. U kunt een hogerberoepschrift opsturen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll: M.P.O.</para>
      <para>D: B</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_1cf0404c-850b-444c-8fa9-29440ae36640" label="1">
    <para> 	onder toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd7913f2-c602-4e0b-a175-b922ebe04cb0" label="2">
    <para> 	onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, Awb op grond van artikel 8:75a, derde lid, Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b99c12c-0d93-4bff-8d4d-3a3b8b5bf3d0" label="3">
    <para> 	onder toepassing van artikel 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt </para>
    <para>	berekend: 1 punt voor het beroepschrift x factor 1 x € 748,-</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9b470d9-7172-4d69-acfc-ababca74e8d2" label="4">
    <para> 	eiser heeft de verzekeringsarts bezocht op 4 februari 2020</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43670041-5b19-4f33-ac33-265d7860183e" label="5">
    <para> 	op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, </para>
    <para>	van het Bpb, in verbinding met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_77b7ca35-6476-4a76-90fc-13e08b4e2cb5" label="6">
    <para> 	krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet tarieven in strafzaken en artikel 6 van het Besluit tarieven </para>
    <para>	in strafzaken </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a140d889-c782-4755-b243-bd475586e629" label="7">
    <para>in artikel II van het Besluit van 3 december 2018 tot wijziging van het Besluit tarieven in strafzaken </para>
    <para>	2003 in verband met de jaarlijkse indexering van de vergoedingen voor deskundige is bepaald welk </para>
    <para>	tarief voor opdrachten die zijn verstrekt op of na 1 januari 2019 moet worden aangehouden </para>
    <para>	(Stb 2018, 468) </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4aee19c5-292c-4a0a-ae3c-530f6bdadcb4" label="8">
    <para> 	verweerder heeft verwezen naar ECLI:N:HR:2012:BX0919 en ECLI:NL:CRVB:2018:1774 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dffba5d8-d524-4a21-969f-1c79832dd83a" label="9">
    <para>ECLI:N:HR:2012:BX0949, rechtsoverweging 4.3.8. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_391b522c-9553-4c02-ac98-22420b03d980" label="10">
    <para> 	niet elk rechtspersoon is btw-plichtig. Rechtspersonen zijn vrijsteld of kunnen hierover afspraken </para>
    <para>	maken met de Belastingdienst, zie www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/</para>
    <para>	belastingdienst/zakelijk/btw/hoe_werkt_de_btw/</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3485a726-b4a3-4230-99e5-1c0cd8e24192" label="11">
    <para> 	ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>