<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-27T15:18:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4758">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-27T15:14:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4758 Rechtbank Amsterdam , 09-08-2022 / 22/1324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4758:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ongegrond. Mondelinge uitspraak. Parkeerbelasting. Geen sprake van onmiddellijk in- en uitstappen. Scanfoto's voldoende om parkeren te onderbouwen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4758:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/1324</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">9 augustus 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Landsmeer, eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van Amsterdam, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: G.M. Plukker-Klein Meuleman).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 18 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022. Eiser was aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Tussen partijen is in geschil of sprake is van parkeren. Op de plek waar eiser met zijn auto stond, moet voor parkeren betaald worden. Het stilstaan, ook zonder de auto te verlaten, moet in beginsel als parkeren worden aangemerkt. Van parkeren is alleen geen sprake wanneer onmiddellijk personen in- en uitstappen of onmiddellijk zaken geladen of gelost worden. De bewijslast dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen ligt op degene die zich op deze uitzondering beroept. Dat betekent dat het in dit geval op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat sprake was van onmiddellijk in- en uitstappen van een persoon. </para>
    <para>3. Op de scanfoto’s is niets te zien dat duidt op het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. De auto staat stil op een parkeerplek, de deuren zijn dicht, de knipperlichten lijken uit te staan en er zijn geen personen te zien in of rondom de auto. De stelling van eiser dat de foto’s van verweerder een te korte tijdspanne weergeven om aan te tonen dat hij geparkeerd stond, volgt de rechtbank niet. Hoewel de scanfoto’s binnen één seconde zijn genomen, blijkt daaruit wel dat de auto van eiser stil stond in het parkeervak. De scanauto heeft immers een foto van de rechterkant van de auto gemaakt en na het passeren ook van de linkerkant en de positie van eisers auto in het parkeervak is in het voorbij rijden van de scanauto niet gewijzigd. Bovendien volgt uit eisers stelling dat hij iemand heeft laten uitstappen dat de auto stil stond. Het ligt dan ook op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van het in- en uitstappen van een persoon. Eiser heeft niet aan deze bewijslast voldaan, maar enkel gesteld dat iemand is uitgestapt zonder die stelling nader te onderbouwen. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt in zijn beroepschrift ook dat hij als onderdeel van het laten uitstappen handelingen heeft verricht om weg te rijden en geeft daarbij aan dat het ging om het kiezen van de juiste versnelling, het verwijderen van de handrem en het instellen van de navigatie om zijn route te kunnen vervolgen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt ook daaruit dat sprake was van parkeren. Uit vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_5db88b70-ac5d-4a1d-9863-dc1d24e04236" /> volgt immers dat ook het voor zeer korte tijd stilzetten van de auto, voor bijvoorbeeld het voeren van een telefoongesprek, moet worden aangemerkt als parkeren en deze rechtbank heeft al eerder geoordeeld dat dit ook geldt voor het kort stilzetten van de auto om de navigatie in te stellen.<footnote-ref linkend="_7c4b15ba-c2fc-4bc9-91c6-23666e0cf338" /></para>
    <para />
    <para>5. Nu eisers auto in het parkeervak heeft stilgestaan en het uitstappen van een persoon niet aannemelijk is gemaakt, is eiser parkeerbelasting verschuldigd. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. N.J.A. van Eck, griffier, op 9 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd dit					rechter</para>
      <para>proces-verbaal te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_5db88b70-ac5d-4a1d-9863-dc1d24e04236" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2491.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c4b15ba-c2fc-4bc9-91c6-23666e0cf338" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6736.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>