<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-19T15:39:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/674006-20 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-10T10:21:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4296 Rechtbank Amsterdam , 25-05-2022 / 13/674006-20 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot ontneming wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat veroordeelde voordeel heeft gekregen van het geld dat is vrijgekomen door de oplichting van deze twee bedrijven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/674006-20 (ontnemingszaak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 25 mei 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/674006-20, tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[naam/veroordeelde]</emphasis>, hierna te noemen [naam/veroordeelde]</para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 12 mei 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de officier van justitie, mr. M.A. van der Vlugt, en [naam/veroordeelde] en zijn raadsman, mr. M. Jonk, op die zitting naar voren hebben gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontnemingsvordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 29 oktober 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [naam/veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 93.777,79. Dit bedrag volgt uit een berekening die is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op pagina 402 van het procesdossier in de strafzaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting van 12 mei 2022 heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in dier voege dat hij het maximumbedrag stelt op € 91.361,73.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De grondslag van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering en onderbouwing verwijzen op dat deze is gebaseerd op het strafbare feit waarvoor [naam/veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld (oplichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam/veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2022 veroordeeld voor het volgende strafbare feit veroordeeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">oplichting, meermalen gepleegd. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewezenverklaring ziet op een bedrag van € 14.046,96 in de periode van 1 april 2018 tot en met 1 september 2018 en verdachte is vrijgesproken van het gewoontewitwassen en eenvoudig witwassen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering ziet op een (aangepast) bedrag van € 91.361,73. Dit bedrag ziet kennelijk op het totaal bedrag dat door alle aangevers is betaald en waarvoor zij zijn opgelicht. De grondslag van de vordering ziet evenwel op de tenlastegelegde feiten oftewel de oplichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . De oplichting van deze bedrijven omvat evenwel een totaal bedrag van € 14.046,96. Alleen al reeds hierom beperkt het mogelijk verkregen voordeel zich tot laatstgenoemd bedrag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende vraag die rechtbank dient te beantwoorden is of [naam/veroordeelde] daadwerkelijk voordeel heeft genoten als gevolg van de door hem gepleegde oplichting van beide bedrijven. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat [naam/veroordeelde] voordeel heeft gekregen van het geld dat is vrijgekomen door de oplichting van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het dossier bevat namelijk geen bewijsmiddel dat tot de conclusie kan leiden. Weliswaar blijkt uit het dossier dat in de periode van 16 maart 2018 tot en met 24 maart 2019 op de bankrekening van verdachte € 33.187,57 is betaald, onduidelijk is of deze gelden daadwerkelijk het verkregen voordeel betreft van die in de periode van 27 april 2018 tot en met 23 augustus 2018 gepleegde en bewezen oplichting. De vordering moet daarom worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. J. Knol, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.M.R. Vastenburg en T. Arnoldussen, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.E. Niemeijer, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>