<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-14T13:32:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/135011-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4208">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4208</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-25T14:19:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4208 Rechtbank Amsterdam , 14-07-2022 / 13/135011-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4208:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Tussenuitspraak: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring van de IND te vragen, aangezien de opgeëiste persoon voldoet aan de eerst voorwaarde voor gelijkstelling. </para>
        <para>Zie voor de overweging van de rechtbank met betrekking tot het ononderbroken rechtmatig verblijf de einduitspraak van 1 september 2019, (ECLI:NL:RBAMS:2022:5188 - EAB II). In de einduitspraak is het in de tussenuitspraak geformuleerde onderscheid in normbedragen voor economisch actieve en economisch niet actieve unieburgers genuanceerd omdat voor economisch niet actieve unieburgers een ander (hoger) normbedrag geldt dan in de tussenuitspraak genoemd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4208:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/135011-22 (EAB II)</para>
      <para>RK nummer: 22/2896</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 14 juli 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 juni 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 mei 2022 door <emphasis role="italic">the Circuit Court of Zielona Góra </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1968, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Judgment by the District Court of Żagań</emphasis> (Polen) van 6 augustus 2019 (referentie: II K 331/19).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog zeven maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de opgeëiste persoon niets van de zaak afwist. Zijn moeder, die inmiddels is overleden, stuurde altijd de post door. Hij heeft in deze zaak zijn verdediging niet kunnen voeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon volgens het EAB in persoon gedagvaard is. Verder wist hij van de zaak omdat hij in deze zaak twee dagen in voorarrest heeft gezeten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces, maar in persoon is opgeroepen op 28 juni 2019. Hij is hierbij, blijkens het EAB, geïnformeerd over de datum en de plaats van het proces en geïnformeerd over het feit dat een beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De situatie van sub a van artikel 12 OLW is derhalve van toepassing, zodat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet aan de orde is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat het feit, zoals omschreven in het EAB (‘het niet betalen van kinderalimentatie’) naar Nederlands recht niet strafbaar is. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt immers niet dat door het niet betalen van kinderalimentatie de kinderen in een hulpeloze toestand zijn terechtgekomen. De rechtbank verwijst in dit kader naar overweging 6.2 van haar uitspraak van 15 april 2021.<footnote-ref linkend="_96a965f9-67c1-40f0-bda8-18d4fca5134e" /> De rechtbank zal echter geen gebruik maken van haar bevoegdheid om op grond van het ontbreken van de dubbele strafbaarheid de overlevering te weigeren, nu de feiten zelf met name aanknopingspunten met de Poolse rechtsorde hebben omdat zij zijn begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen kinderen met de Poolse nationaliteit. </para>
      <para>Voorts blijkt uit het navolgende dat de opgeëiste persoon mogelijk in aanmerking komt voor gelijkstelling, in welk geval het – gelet op het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden – de voorkeur verdient de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a OLW onder overname van de straf.<footnote-ref linkend="_fefe23e7-e9a3-44a1-a7af-8959bf974f92" /></para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat het zijn voorkeur heeft de opgelegde straf in Nederland uit te zitten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon heeft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verbleven in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste voorwaarde </emphasis>
      </para>
      <para>Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door middel van overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook door aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon al langer dan vijf jaar in Nederland verblijft. Hij heeft in 2015 en een gedeelte van 2016 in Nederland gewerkt, waarna hij een ernstig ongeluk heeft gehad en in 2016, 2017 en 2018 een Ziektewet-uitkering heeft genoten. In 2019 heeft hij weer gewerkt, waarna hij blijvend arbeidsongeschikt is geworden en in 2020 en 2021 een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) heeft genoten. De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting een overzicht van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) betreffende het arbeidsverleden van de opgeëiste persoon overgelegd. Ook heeft de raadsman inkomensverklaringen van de Belastingdienst overgelegd over de jaren 2015 tot en met 2021 en stukken betreffende de zorgverzekering van de opgeëiste persoon over de jaren 2018 tot en met 2021. De opgeëiste persoon is geworteld in Nederland, heeft hier een inkomen, een woning, een partner en een ziektekostenverzekering, aldus de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde. De opgeëiste persoon staat weliswaar sinds 2016 in Nederland ingeschreven, zodat op grond daarvan aangenomen kan worden dat hij ten minste vijf jaar in Nederland verblijft, maar hij genoot een Ziektewet-uitkering en geniet een WIA-uitkering. Dat betekent dat hij een economisch niet-actieve unieburger is. Derhalve moet hij, om voor gelijkstelling in aanmerking te komen, een ziektekostenverzekering hebben en voldoende middelen van bestaan, te weten een inkomen dat tenminste gelijk is aan het minimumloon. Daarvan is geen sprake. Bovendien heeft de opgeëiste persoon pas sinds 2018 een ziektekostenverzekering. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 6a, met overname van de straf. Het ontbreken van de dubbele strafbaarheid staat daar niet aan in de weg. De officier van justitie verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank van 18 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6776.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar (2017-2021) steeds een inkomen had boven 50% van de toepasselijke bijstandsnorm.<footnote-ref linkend="_f7cf21db-77bb-4b9e-9cc5-148f66eee5d0" /></para>
      <para>Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, geldt voor economisch niet-actieve unieburgers geen hoger normbedrag. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn 2004/38). </para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan de opgeëiste persoon pas vanaf het moment dat hij een IVA-uitkering ontving worden aangemerkt als economisch niet-actief. Een unieburger, zoals de opgeëiste persoon, die heeft gewerkt en vervolgens in de Ziektewet terechtkomt, verliest immers niet zijn status als werknemer. Na de periode waarin hij een Ziektewet-uitkering genoot, heeft de opgeëiste persoon weer gewerkt. Hij was en bleef dan ook werknemer. Dit werd pas anders toen hij als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd aangemerkt. Vanaf dat moment (in 2020) diende hij derhalve als economisch niet-actieve unieburger te beschikken over een ziektekostenverzekering. Uit de overgelegde stukken blijkt evenwel dat hij reeds vanaf 2018 beschikte over een ziektekostenverzekering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dan ook dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>Vervolgens moet de rechtbank toetsen of ook is voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat gebeurt aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu een dergelijke verklaring nog niet beschikbaar is, zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze alsnog aan de IND te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring van de IND te vragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.</para>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,			                         	    		voorzitter,</para>
      <para>mrs. R. Godthelp en W.B. van Bockel,                     				   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van R. Rog,			                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_96a965f9-67c1-40f0-bda8-18d4fca5134e" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fefe23e7-e9a3-44a1-a7af-8959bf974f92" label="2">
    <para> vergelijk rechtbank Amsterdam 18 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6776.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7cf21db-77bb-4b9e-9cc5-148f66eee5d0" label="3">
    <para> Zie het door Immigratie- en Naturalisatiedienst gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>