<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T14:39:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 5233</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4138">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-11T14:36:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4138 Rechtbank Amsterdam , 20-07-2022 / AWB - 21 _ 5233</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4138:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT Dwangsombeschikking. Parkeerbelasting. De bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de dwangsom vindt niet uitsluitend haar grondslag in artikel 4:18 van de Awb, maar mede in het uitblijven van een besluit in de hoofdzaak</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4138:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM  </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/5233</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder een zitting te houden.<footnote-ref linkend="_98e9b5ef-ac62-4646-b0f4-b204657e35c3" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Nu verweerder geen stukken heeft ingediend, gaat de rechtbank uit van de stukken die eiser heeft overgelegd. </para>
    <para>2. Eiser heeft op 28 juni 2021 bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 26 mei 2021 waarin eisers verzoek om een dwangsom is afgewezen. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld, waarna hij in beroep is gegaan vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. </para>
    <para />
    <para>3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_9ce1b8f5-ef70-4477-a0f3-287d446745fb" />Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_951d8edc-115d-4803-a9a2-e344f3ae2b0e" /></para>
    <para />
    <para>4. Ter beoordeling ligt voor of verweerder de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is, omdat de bijzondere beslistermijn van artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet van toepassing is op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. Op grond van dat artikel volgt op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, een uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. Uit artikel 4:19, eerste lid, van de Awb volgt dat een procedure over de verschuldigdheid van de dwangsomvergoeding (paragraaf 4.1.3.2 van de Awb) die van de hoofdzaak volgt. Uit de  rechtspraak volgt verder dat de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de dwangsom niet uitsluitend haar grondslag vindt in artikel 4:18 van de Awb, maar mede in het uitblijven van een besluit in de hoofdzaak. Dat is in dit geval een bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelastingen, waarbij de beslistermijn voortvloeit uit artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. De rechtbank stelt vast dat eiser op 28 juni 2021 bezwaar heeft gemaakt tegen de dwangsombeschikking en dat hij verweerder op 19 augustus 2021 in gebreke heeft gesteld. Dit is voor het verstrijken van de beslistermijn die liep tot 31 december 2021. Dit betekent dat de ingebrekestelling prematuur is. De beslistermijn was immers op het moment van de ingebrekestelling niet verstreken.</para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat met de premature ingebrekestelling niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is om die reden kennelijk niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenvergoeding of teruggave van het griffierecht is geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>N. van der Kroft, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_98e9b5ef-ac62-4646-b0f4-b204657e35c3" label="1">
    <para> De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ce1b8f5-ef70-4477-a0f3-287d446745fb" label="2">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_951d8edc-115d-4803-a9a2-e344f3ae2b0e" label="3">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>