<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T15:32:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 21/2415</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-13T13:40:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4114 Rechtbank Amsterdam , 27-06-2022 / AMS 21/2415</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing handhavingsverzoek. Niet vergunde aanbouw met terras. Vrees voor geluidoverlast. Overtreding van -uit het oogpunt van ruimtelijke uitstraling- geringe aard en ernst. Handhaving in dit geval onevenredig. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/2415</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Rutteman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Louwe).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Tevens heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende] , te Amsterdam</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.I. Tsheichvili).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiser] , het college en [belanghebbende] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 13 maart 2020 heeft het college het verzoek om handhaving van [eiser] afgewezen. Hiertegen heeft [eiser] bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 maart 2021, verzonden op 17 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. [eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld op de zitting van 4 april 2022. [eiser] , het college en [belanghebbende] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. [eiser] woont op het [adres] en is tevens eigenaar van de woning [adres 2] in Amsterdam, waar zijn dochter woont. De aangrenzende woning [adres 3] is sinds 30 december 2020 eigendom van [belanghebbende] . Een eerder verzoek om handhaving van [eiser] heeft geleid tot het afbreken van een -door de vorige eigenaar- in afwijking van een verleende vergunning gebouwde serre op beletageniveau aan de achterzijde van de woning [adres 3] . Na afbraak van de serre resteert nog de aanbouw op de begane grond (het souterrain) met het daarop gelegen terras. De aanbouw met terras grenst aan het dakterras van de woning van [eiser] en aan de woning van zijn dochter. [eiser] betwijfelt of wel volledig aan de last is voldaan en heeft om die reden verzocht het handhavend optreden voort te zetten of indien nodig een nieuw handhavingsbesluit te nemen. </para>
    <para />
    <para>2. Vervolgens heeft het college de onder ‘Procesverloop’ vermelde besluiten genomen.</para>
    <para>3. Volgens het bestreden besluit is de aanbouw met terras niet gelegaliseerd met de vergunningen uit 2002 en/of 2017. Het college is daarom in beginsel verplicht handhavend op te treden, maar ziet in de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding daarvan af te wijken. Het bestemmingsplan<footnote-ref linkend="_dddcdc3e-8964-4d35-b9d4-e6a4c32dd785" /> staat in de hoek van bouwblokken uitbreiding in de diepte van het gebouw niet toe en er is geen omgevingsvergunning aangevraagd. Daarom bestaat geen concreet zicht op legalisatie. Wel acht het college handhavend optreden (sloop van de aanbouw met terras) in dit geval onevenredig. Hinder als gevolg van het gebruik als dakterras wordt geregeld door het burenrecht en is in het kader van de vraag of handhavend moet worden opgetreden niet of minder van belang. [eiser] heeft wel belang bij een goede constructie en fundering van de aanbouw met terras. Maar deze is al lange tijd aanwezig. Problemen met de fundering hebben zich tot op heden niet voorgedaan en dat die zich in de toekomst zullen voordoen, is niet aannemelijk geworden. Tevens kan op grond van de onherroepelijke omgevingsvergunning van 2017 aanmerkelijk meer bebouwing worden gerealiseerd. Daarbij komt dat een op het tijdstip van inwerkingtreding aanwezig, maar van het bestemmingsplan afwijkend, bouwwerk op grond van het overgangsrecht gedeeltelijk mag worden vernieuwd of veranderd, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.<footnote-ref linkend="_5f28ea39-98a8-4c75-90c2-61faf2d06a39" /></para>
    <para />
    <para>4. [eiser] voert aan dat de ernst van de overtreding in de weg staat aan de door het college gemaakte belangenafweging. Hij heeft zicht op de aanbouw en ondervindt de gevolgen van het gebruik van het dakterras. Bovendien is niet aan het Bouwbesluit getoetst, terwijl aannemelijk is dat de aanbouw is verankerd in de muren van het pand van [eiser] en daarmee de fundering extra belast en inbreuk maakt op zijn eigendom. Ook als het gebruik van het dakterras wordt beheerst door het burenrecht, zoals het college stelt, is het gebruik als dakterras vergunningplichtig, ook indien de aanbouw op zich niet illegaal zou zijn.<footnote-ref linkend="_e1e6c1c9-333c-49d0-aa89-8602f34617cf" /> Tevens heeft [eiser] er belang bij dat de aanbouw voldoet aan het Bouwbesluit, dat niet alleen gaat over constructieve eisen, maar ook over bijvoorbeeld het voorkomen van branddoorslag. Dit geldt ook voor een grotere constructie die op grond van de onherroepelijke, maar niet gebruikte omgevingsvergunning mogelijk is. Volgens [eiser] is het overgangsrecht niet van toepassing, omdat de aanbouw niet legaal is gebouwd.<footnote-ref linkend="_7c6178f8-cf55-4812-b63c-755f119eba32" /></para>
    <para />
    <para>5. [belanghebbende] betwist dat hij een zonder omgevingsvergunning gebouwd bouwwerk in stand laat<footnote-ref linkend="_2c74dd48-48b1-4396-b9b1-d50e50b5c333" />, dan wel stelt dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Het pand [adres 3] werd op 16 januari 2007 als gemeentelijk monument aangewezen. De aanbouw met terras was toen al aanwezig. Een omgevingsvergunning voor het verstoren van een monument<footnote-ref linkend="_6097243f-387e-446f-8c9f-672ae2d88051" /> is dus niet vereist. Verder is al in 2002 een bouwvergunning verleend voor de aanbouw, dan wel bestaat concreet zicht op legalisatie van de aanbouw omdat deze niet in strijd is met de monumentenwetgeving noch de bouwregels van het bestemmingsplan: wonen is als bestemming toegestaan en dat is waar de aanbouw met terras voor dient. [belanghebbende] beroept zich ook op het overgangsrecht, omdat de aanbouw met terras al bestond voor het bestemmingsplan in werking trad (2013). Tot slot beroept [belanghebbende] zich op het vertrouwensbeginsel. Op de gewaarmerkte bouwtekeningen, die deel uitmaken van zowel de bouwvergunning uit 2002 als de omgevingsvergunning uit 2017, was de aanbouw met muurdoorbraken aanwezig. Hier is kennelijk niet handhavend tegen opgetreden. Bovendien is dit terras al minimaal 18 jaar aanwezig én is zelfs in het bestreden besluit geoordeeld dat geen sprake is van een overtreding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank vindt dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de bestaande aanbouw met terras niet is vergund met de in 2002 verleende bouwvergunning en evenmin met de niet gebruikte- omgevingsvergunning uit 2017 voor het realiseren van een uitbouw. Daarmee staat vast dat een overtreding is geconstateerd, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden.</para>
    <para />
    <para>7. Op de zitting heeft het college zijn standpunt dat handhavend optreden niet evenredig is, nader toegelicht. Volgens het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van [medio] december 2021 heeft de aanbouw acceptabele gevolgen voor de monumentale waarden, zodat in zoverre concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder ligt de aanbouw met terras besloten in het bouwplan waarvoor in 2017 omgevingsvergunning is verleend. Volgens het college zal daarom naar verwachting op een legaliserende aanvraag positief worden beslist. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien, gelet op de onevenredigheid daarvan in dit geval. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de omgevingsvergunning van 2017, die onherroepelijk is, het realiseren van aanmerkelijk meer bebouwing toestaat. Met het toen vergunde bouwplan kan een in hoofdzaak- uit glas opgetrokken tuinkamer, met een zeer beperkt terras, worden gerealiseerd. Uit de bijbehorende bouwtekeningen volgt dat de vouwramen naar dit terrasje volledig kunnen worden geopend, waardoor een open verbinding met de tuinkamer ontstaat. Het bestaande terras, zonder de glazen overkapping, is in omvang ongeveer gelijk aan de vergunde tuinkamer en was volgens de bouwtekeningen in 2017 al aanwezig. Aannemelijk is ook dat dit al in 2002 het geval was, op grond van de bouwtekeningen bij de toen verleende vergunning. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het handhavingsverzoek vooral het gevolg is van door [eiser] ondervonden geluidoverlast van de vorige eigenaar van de woning [adres 3] en dat die overlast geen direct verband houdt met het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, maar evenzeer bij gebruik in overeenstemming met het bestemmingsplan zou kunnen worden ondervonden. Dit betekent dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het uitblijven van handhavend optreden in zijn belangen wordt geschaad. Op de zitting is ook erkend dat [eiser] voor zover bekend van de huidige eigenaar geen overlast ondervindt. Wat betreft de vrees van [eiser] voor geluidoverlast is het aan partijen om daarover met elkaar redelijke afspraken te maken. In dit verband acht de rechtbank het van belang dat zij op de zitting heeft vernomen dat partijen ook bereid zijn met elkaar het gesprek aan te gaan.</para>
    <para />
    <para>10. Op de zitting is ook besproken dat de constructie van de al lange tijd aanwezige aanbouw met terras niet de kern van het probleem is, maar dat [eiser] met het oog op mogelijke toekomstige bouwactiviteiten duidelijkheid wenst. Dat ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. Dit kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>11. Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de overtreding kan worden aangemerkt als een overtreding van -uit het oogpunt van ruimtelijke uitstraling- geringe aard en ernst en dat handhavend optreden in de voorliggende situatie onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Het beroep is ongegrond. [eiser] wordt dus niet in het gelijk gesteld.</para>
    <para />
    <para>13. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk</title>
    <para>U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_dddcdc3e-8964-4d35-b9d4-e6a4c32dd785" label="1">
    <para> Planregel 6.2.2 onder c. van het bestemmingsplan ‘Westelijke Binnenstad’.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f28ea39-98a8-4c75-90c2-61faf2d06a39" label="2">
    <para> planregel 32.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1e6c1c9-333c-49d0-aa89-8602f34617cf" label="3">
    <para> Planregel 6.4.7.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c6178f8-cf55-4812-b63c-755f119eba32" label="4">
    <para> Zie planregel 32.1 in samenhang met planregel 32.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c74dd48-48b1-4396-b9b1-d50e50b5c333" label="5">
    <para> Artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6097243f-387e-446f-8c9f-672ae2d88051" label="6">
    <para> Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>