<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:4070</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-21T16:41:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752147-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4070">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:4070</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-21T13:40:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:4070 Rechtbank Amsterdam , 10-05-2022 / 13/752147-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4070:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, executie. Afzien van weigering, artikel 12 OLW. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:4070:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752147-20</para>
      <para>RK nummer: 20/6160</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak:  10 mei 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 december 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 oktober 2020 door de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (Circuit Court) Warszawa – Praga in Warsaw </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 16 februari 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. I. Aardoom-Fuchs, advocaat te (destijds) Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 2 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 2 maart 2021 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de Poolse strafrechtelijke procedure, gelet op de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 22 december 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de zaak is op 22 december 2021 met toestemming van de advocaat en officier van justitie voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van de heropening en schorsing op 2 maart 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 22 december 2021 het onderzoek opnieuw geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen te stellen aan de Poolse justitiële autoriteiten over de Poolse strafrechtelijke procedure, gelet op de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 26 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de zaak is op 26 april 2022 met toestemming van de advocaat en officier van justitie voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich bevond ten tijde van de schorsing op 22 december 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw en door een tolk in de Poolse taal. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">enforceable judgement </emphasis>van de <emphasis role="italic">Sąd Rejonowy</emphasis> (<emphasis role="italic">District Court</emphasis>) <emphasis role="italic">Warszawa Praga-Poludnie in Warsaw</emphasis> (Polen) van 27 juni 2018 (referentie III K 897/17).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is aangepast door de <emphasis role="italic">Circuit Court in Warsaw</emphasis> (Polen) op 26 september 2019 (referentie VI Ka 1502/18). Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 26 september 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde (en aangepaste) vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van 22 maart 2021 blijkt dat in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en de straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld door de <emphasis role="italic">Circuit Court in Warsaw </emphasis>(Polen). Alleen de procedure in hoger beroep valt daarom onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vonnis van de <emphasis role="italic">Circuit Court in Warsaw </emphasis>(Polen) is gewezen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat daartoe heeft geleid. Eén van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden doet zich evenmin voor en er is geen garantie verstrekt als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank gebruik moet maken van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering volgens haar een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou inhouden. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de procedure in hoger beroep, terwijl hem daarvan ook niet een verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft, toen hij naar Nederland ging, een nieuw adres opgegeven aan de Poolse autoriteiten. Daar was hij ook bereikbaar voor justitie. In de aanvullende informatie van 26 januari 2022 staat dat de justitiële autoriteiten in Polen niet wisten dat de opgeëiste persoon in Nederland verbleef, maar dat klopt dus niet. Het had bovendien – mede gelet op het tijdsverloop – op de weg gelegen van de Poolse autoriteiten om na te gaan of het eerder door de opgeëiste persoon opgegeven adres nog juist was. Dit klemt temeer nu aan zijn moeder – die woont op het door hem opgegeven Poolse adres en die aanwezig was in eerste aanleg – is verteld dat zij geen post meer in ontvangst mocht nemen die betrekking had op de strafzaak. De opgeëiste persoon hoefde er ook niet op bedacht te zijn dat er hoger beroep zou worden ingesteld. Het hoger beroep is blijkens de aanvullende informatie van 26 januari 2022 namelijk ingesteld door de advocaat van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , terwijl de opgeëiste persoon met de benadeelde partij een schadeloosstelling was overeengekomen en de opgeëiste persoon ook al was gestart met betaling daarvan. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om [benadeelde partij] te horen om te bezien of de aanvullende informatie van 26 januari 2022 juist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zij merkt daarbij op dat – op grond van het vertrouwensbeginsel – zij moet uitgaan van de juistheid van de verstrekte informatie. Bij haar oordeel dat de overlevering kan worden toegestaan, vindt zij verder het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB onder rubriek d) blijkt het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon was op de hoogte van de zitting in eerste aanleg op 20 maart 2018. De opgeëiste persoon heeft namelijk op 14 maart 2018 een brief aan de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (District Court) Warszawa Praga-Południe in Warsaw </emphasis>toegezonden waarin hij heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, welk verzoek door de rechtbank is afgewezen. In deze brief heeft de opgeëiste persoon ook laten weten zich ervan bewust te zijn dat er benadeelde partijen zijn en voornemens te zijn hun schade geheel te vergoeden. Op 27 juni 2018 is het vonnis in eerste aanleg gewezen, waarna een advocaat van één van de benadeelde partijen hoger beroep heeft aangetekend. Vervolgens is op 26 september 2019 het arrest in hoger beroep gewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 14 januari 2018 het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de betekening van de oproeping voor de zitting in eerste aanleg, werd de moeder van de opgeëiste persoon aangetroffen op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Zij heeft laten weten dat haar zoon de oproeping had ontvangen en dat hij vervolgens naar Nederland was vertrokken, maar dat zij niet kon vertellen wat zijn nieuwe adres was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aanvullende informatie van 26 januari 2022 is tot slot het volgende te lezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft op 22 september 2017 tijdens zijn verhoor een Pools adres opgegeven. Verder heeft de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor een zogenaamde ‘adresinstructie’ gekregen, met de inhoud dat hij is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat, wanneer hij dit nalaat, correspondentie verstuurd naar het laatst opgegeven adres als juist betekend wordt geacht en hij bij verstek kan worden veroordeeld. Deze instructie heeft hij ook ondertekend. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is vervolgens verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Polen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande informatie komt de rechtbank tot het volgende oordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon was op de hoogte van de feiten waarvan hij werd verdacht en van de strafrechtelijke procedure in eerste aanleg inclusief de aanwezigheid van benadeelde partijen in deze procedure. De opgeëiste persoon heeft – zoals hij ter zitting heeft verklaard – een deel van de schade aan een benadeelde partij vergoed, maar is vervolgens gestopt met het betalen van de schadevergoeding. In dat geval had hij er ook rekening mee moeten houden dat er mogelijk hoger beroep zou worden ingesteld, niet alleen door de officier van justitie, maar ook door (één van) de benadeelde partijen. De opgeëiste persoon had – in het verlengde daarvan – zijn nieuwe adres in Nederland behoren door te geven aan de justitiële autoriteiten in Polen. Dat hij dat, anders dan uit de aanvullende informatie blijkt, heeft gedaan, zoals zijn raadsvrouw stelt, is niet onderbouwd en wordt niet gevolgd. Door na te laten een nieuw adres op te geven, is de opgeëiste persoon onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie, waardoor het risico daarvan ook voor zijn rekening behoort te komen. Het toestaan van de overlevering levert onder die omstandigheden geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat de rechtbank niet meegaat met het standpunt van de raadsvrouw. De rechtbank merkt daarover meer in het bijzonder nog het volgende op. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw lijkt met haar betoog te suggereren dat de Poolse autoriteiten verplicht zijn om het adres van de opgeëiste persoon in Nederland op te sporen om vervolgens de oproeping naar dit adres te versturen. De raadsvrouw heeft evenwel niet onderbouwd dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit Kaderbesluit 2002/584/JBZ dan wel andere op de overleveringsprocedure van toepassing zijnde regelgeving, zodat de rechtbank aan dit betoog voorbijgaat. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	oplichting.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan de <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy (Circuit Court) Warszawa – Praga in Warsaw </emphasis>(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				                         			 voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel,					    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.A.B. Fransen,		                         	     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>