<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:3979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-04T10:15:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 22/461</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3979">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-01-04T10:14:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:3979 Rechtbank Amsterdam , 06-07-2022 / AMS 22/461</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3979:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag Participatiewet. De aanvraag was afgewezen, omdat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding. Eiseres en haar ex-partner hadden hun feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning. Ook zijn er kinderen uit het huwelijk geboren. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Er is geen sprake van een dringende reden, waardoor toepassing van artikel 16 van de Participatiewet niet gerechtvaardigd is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3979:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/461</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te Amsterdam, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.J. Telting).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 juni 2021 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van </para>
      <para>10 juni 2021 van eiseres voor bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2021 (het primaire besluit II) heeft verweerder de tweede aanvraag voor bijstand van 28 juli 2021 van eiseres afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van 19 juli 2021 en 20 september 2021 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 25 januari 2022 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [de persoon] , als waarnemer van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Achtergrond</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres woonde ten tijde van de aanvraag met haar ex-partner en hun dochter op het adres [adres] te Amsterdam. Eiseres heeft op 10 juni 2021 een aanvraag voor een bijstandsuitkering gedaan, omdat zij per 8 juni 2021 is gescheiden en geen inkomen heeft. Op 28 juli 2021 heeft eiseres wederom een aanvraag gedaan voor een bijstandsuitkering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Besluitvorming</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij primaire besluiten I en II, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Verweerder werpt ten aanzien van de eerste aanvraag tegen dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding.<footnote-ref linkend="_8ebcda37-9c21-46dd-afe8-1a5da5b1304c" /> Ten aanzien van de tweede aanvraag werpt verweerder ook tegen dat er geen gewijzigde feiten en omstandigheden zijn aangedragen om te kunnen vaststellen dat eiseres wel als alleenstaande kon worden beschouwd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aanvragen van eiseres heeft mogen afwijzen. Dit doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gezamenlijke huishouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voert met haar ex-partner. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden mocht niet zonder meer worden aangenomen door verweerder, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast.<footnote-ref linkend="_24e32209-dc8d-4540-8452-c2597568d505" /> Zo heeft verweerder geen huisbezoek afgelegd. Ook mocht het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet worden aangenomen, omdat eiseres vindt dat zij en haar ex-partner niet als gehuwden aangemerkt konden worden. Eiseres stelt dat zij en haar ex-partner al twintig jaar gescheiden van tafel en bed zijn en geen gemeenschappelijke huishouding voerden. Volgens eiseres is er sprake van een duurzaam gescheiden leven.<footnote-ref linkend="_1aeba40e-9b59-4716-9c02-cddddeaf7c15" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Er is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als betrokkenen het feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en een van de situaties genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Pw, zich voordoet.<footnote-ref linkend="_841a2556-a4bb-4078-aaf8-d5eda04147d0" /> Niet in geschil is dat eiseres en haar ex-partner ten tijde van de aanvragen het hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Daarnaast zijn er kinderen uit het huwelijk geboren. Dit maakt dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding.<footnote-ref linkend="_51f60efa-e452-47be-b5ec-2071ab63c918" /> De rechtbank is het met verweerder eens dat er na vaststelling van deze feiten geen ruimte bestaat om een gezamenlijke huishouding te betwisten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomen dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. Derhalve slaagt deze beroepsgrond niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dringende reden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Eiseres doet een beroep op artikel 16, eerste lid, van de Pw, omdat zij stelt in een uiterst schrijnende situatie te verkeren. Zij heeft geen inkomen en leent geld van haar kinderen om ervoor te zorgen dat zij haar eten en zorgverzekering kan betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak doen dringende redenen zich voor als er sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde als sprake is van een situatie van levensbedreigende aard of een situatie die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.<footnote-ref linkend="_add5bc34-c173-4b42-93ce-71de44e3e354" /> Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiseres in een situatie verkeert waarin toepassing van artikel 16, van de Pw, gerechtvaardigd zou zijn.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M. Nannan Panday, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8ebcda37-9c21-46dd-afe8-1a5da5b1304c" label="1">
    <para> Artikel 3, vierde lid, onder b, van de Pw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_24e32209-dc8d-4540-8452-c2597568d505" label="2">
    <para> Eiseres verwijst naar de uitspraken: Centrale Raad van Beroep 29 februari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE0165 en 20 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4210.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1aeba40e-9b59-4716-9c02-cddddeaf7c15" label="3">
    <para> Artikel 3, tweede lid, aanhef en sub b, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_841a2556-a4bb-4078-aaf8-d5eda04147d0" label="4">
    <para> Artikel 3, vierde lid, van de Pw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51f60efa-e452-47be-b5ec-2071ab63c918" label="5">
    <para> Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2110, r.o. 4.1 en de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 6 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:3070, r.o. 3.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_add5bc34-c173-4b42-93ce-71de44e3e354" label="6">
    <para> Zie o.a. de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678 en van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:613 en de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 15 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7774.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>