<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:3824</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T17:02:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751153-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3824">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3824</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-13T16:55:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:3824 Rechtbank Amsterdam , 22-06-2022 / 13/751153-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3824:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek aanvullende toestemming afgewezen. De enkele mededeling dat de overgeleverde persoon geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel, is niet voldoende om te concluderen dat de overgeleverde persoon zijn hoorrecht heeft kunnen uitoefenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3824:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751153-22 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum beslissing: 22 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 1 juni 2022, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Dit verzoek is ingediend door het Amtsgericht Aachen (Duitsland) op 24 januari 2022 en betreft: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de overgeleverde persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Vietnam) op [geboortedag] 1986,</para>
      <para>nu gedetineerd in [detentieplaats] , Duitsland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: de overgeleverde persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>1</nr>Beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan. <emphasis role="italic">Der Leitende Oberstaatsanwalt</emphasis> heeft per brief van 31 januari 2022 een garantie verstrekt dat wanneer de overgeleverde persoon tot een vrijheidsbenemende straf wordt veroordeeld in Duitsland, de overgeleverde persoon voor de verdere tenuitvoerlegging van die straf naar Nederland wordt overgebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 15 februari 2022 verzocht om nadere informatie aangaande de vraag of de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek om toestemming voor uitbreiding van de vervolging (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63).   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In lijn hiermee had het IRC al op 8 februari 2022 het volgende gevraagd aan de verzoekende autoriteit: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Following the decision of the Court of Justice of the EU of 26 October 2021 (C-28/21 PPU and C-429/21 PPU), the surrendered person has the right to be heard about the request for the extension of the prosecution. Hence, the issuing authority must provide the executing authority with a report in which a statement of the surrendered person regarding the request for additional consent is laid down. Please find the decision of the Court of Justice here: https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&amp;docid=248142&amp;pageIndex=0&amp;doclang=DE&amp;mode=lst&amp;dir=&amp;occ=first&amp;part=1&amp;cid=346306</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Please note that the surrendered person must be given the opportunity to give his views, including any comments or objections, he may have on the request.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Therefore, I kindly ask you to provide us with such a report.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij e-mail van 7 maart 2022 is een proces-verbaal verstrekt van 24 februari 2022 van het Kantongerecht Dortmund. Dit betreft een verhoor van de overgeleverde persoon, getiteld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Raadpleging van de Nederlandse staatsburger [de overgeleverde persoon] (…), wegens specialiteitsbeginsel</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het proces-verbaal vermeldt onder meer het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betrokkene wordt van het onderwerp van de hoorzitting op de hoogte gebracht.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betrokkene wordt erover geraadpleegd, of hij met de vervolging of tenuitvoerlegging wegens de verdere onwettige daden akkoord gaat.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De betrokkene verklaarde:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Nee, daarmee ga ik niet akkoord.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vanwege de geldende beslistermijn – die al is overschreden – wordt de beslissing op het verzoek niet (nog) langer aangehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overgeleverde persoon is op 24 februari 2022 gehoord “wegens raadpleging specialiteitsbeginsel”. De overgeleverde persoon heeft toen (alleen) verklaard geen afstand te doen van het specialiteitsbeginsel. De rechtbank kan uit dit verhoor niet zonder meer afleiden dat de overgeleverde persoon ook in de gelegenheid is gesteld om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het hoorrecht bij verzoeken om aanvullende toestemming heeft het Hof van Justitie<footnote-ref linkend="_f8b7292f-6a0d-4aba-b358-2aca9821c1e3" /> bepaald dat weliswaar niet is vereist dat de betrokkene het recht heeft om persoonlijk voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit te verschijnen, maar wel dat de betrokkene feitelijk de mogelijkheid moet hebben gehad om voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit verband is van belang dat het Hof van Justitie ook heeft overwogen dat het recht om door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord concreet kan worden uitgeoefend in de uitvaardigende lidstaat zonder dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rechtstreeks deelneemt. De betrokkene kan dan ook zijn standpunt met betrekking tot het verzoek kenbaar maken aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. Wordt dat standpunt vastgelegd in een proces-verbaal en door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit medegedeeld, dan moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene zijn hoorrecht heeft kunnen uitoefenen (punten 67-68 van het hiervoor genoemde arrest).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank benadrukt dat de (enkele) mededeling dat de overgeleverde persoon geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel, niet zonder meer iets zegt over de vraag of de betrokkene in staat is gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu uit het verhoor van 24 februari 2022 niet blijkt dat de overgeleverde persoon alsnog de mogelijkheid is geboden om al zijn opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming voor uitbreiding van de vervolging kenbaar te maken, is niet voldaan aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming. Hieruit volgt dat de rechtbank niet met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon een toewijzende beslissing kan nemen over het verzoek. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst erop dat dit onverlet laat dat de Duitse autoriteiten desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kunnen indienen, zodra zij kunnen aantonen dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WIJST AF</emphasis> het verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de overgeleverde persoon niet is overgeleverd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is genomen op 22 juni 2022 door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,  				                         	    		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J. van Zijl en R. Godthelp,                         				   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van V.D. Reinders,		                         		    griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f8b7292f-6a0d-4aba-b358-2aca9821c1e3" label="1">
    <para> 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>