<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:3430</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T14:16:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/078313-22</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3430">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3430</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-17T13:58:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:3430 Rechtbank Amsterdam , 15-06-2022 / 13/078313-22</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3430:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB EX Polen. Genoegzaamheid. Art. 12 OLW. OL toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3430:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/078313-22</para>
      <para>RK nummer: 22/1790</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 juni 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 december 2021 door de <emphasis role="italic">Circuit Law Court in Świdnica</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>
        [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juni 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar verzamelvonnis van de <emphasis role="italic">District Law Court of Świdnica</emphasis> (referentienummer: II K 866/15) van 31 maart 2016. Het verzamelvonnis is onherroepelijk geworden op 11 april 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan dit verzamelvonnis liggen de volgende vonnissen ten grondslag:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 274/15</emphasis>: gewezen door de <emphasis role="italic">District Law Court of Świdnica</emphasis> op 15 juni 2015, onherroepelijk geworden op 22 augustus 2015. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 123/13</emphasis>: gewezen door de <emphasis role="italic">District Law Court of Dzierżoniów</emphasis> op 13 maart 2013, onherroepelijk geworden op 21 maart 2013. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 656/12</emphasis>: gewezen door de <emphasis role="italic">District Law Court of Dzierżoniów</emphasis> op 12 februari 2013, onherroepelijk geworden op 20 februari 2013.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast staat in het EAB vermeld dat de <emphasis role="italic">Circuit Law of Świdnica</emphasis> op 25 juli 2017 een beslissing heeft genomen tot voorwaardelijke invrijheidsstelling van de opgeëiste persoon (referentienummer: V Kow 1308/17/wz). De <emphasis role="italic">Circuit Law of Świdnica</emphasis> heeft vervolgens bij beslissing van 10 oktober 2018 de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen (referentienummer: V Kow 2075/18/owz).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon de gevangenisstraf die in het EAB wordt genoemd reeds heeft uitgezeten. De opgeëiste persoon is van 23 juli 2015 tot en met 25 juli 2017 gedetineerd geweest in Polen. Volgens Pools recht worden voorwaardelijk opgelegde straffen bij de beslissing tot tenuitvoerlegging gehalveerd. Het strafrestant dat in het EAB wordt genoemd is daarom onjuist.  </para>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het overleveringsverzoek dient te worden aangehouden, teneinde omtrent deze kwestie aanvullende vragen te stellen aan de Poolse uitvaardigende autoriteit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. Voor zover de opgeëiste persoon al langer zou hebben vastgezeten dan in het EAB wordt genoemd, hetgeen wordt bestreden, betreft dit een executie-kwestie die in de uitvaardigende lidstaat aan de orde moet komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt dat bij de vonnissen die ten grondslag liggen aan het verzamelvonnis de volgende straffen zijn opgelegd aan de opgeëiste persoon:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 274/15</emphasis>: een gevangenisstraf van 5 maanden.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 123/13</emphasis>: een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar, met een proeftijd van drie jaren. De voorwaardelijke straf is door de <emphasis role="italic">District Law Court of Dzierżoniów</emphasis> omgezet in een onvoorwaardelijke straf op 19 oktober 2015 (referentienummer: II Ko 1658/15), welke beslissing onherroepelijk is geworden op 31 oktober 2015.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">II K 656/12</emphasis>: een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren,  met een proeftijd van vijf jaren. De voorwaardelijke straf is door de <emphasis role="italic">District Law Court of Dzierżoniów</emphasis> omgezet in een onvoorwaardelijke straf op 19 oktober 2015 (referentienummer: II Ko 1659/15), welke beslissing onherroepelijk is geworden op 31 oktober 2015.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast blijkt uit het EAB dat in het verzamelvonnis II K 866/15 de eerder opgelegde straffen zijn samengevoegd. De overlevering wordt dan ook verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en vijf dagen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit te twijfelen - en eventueel aanvullende vragen te stellen - en verwerpt het primaire en subsidiaire verweer van de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzamelvonnis II K 866/15 en vonnis II K 656/12</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon ten aanzien van het verzamelvonnis II K 866/15 en het onderliggende vonnis II K 656/12 in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissingen heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet aan de orde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis II K 274/15</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank concludeert uit de informatie in het EAB dat de opgeëiste persoon ten aanzien van vonnis II K 274/15 niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid en dat zich evenmin één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.</para>
        <para>Uit de informatie uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon tijdens het eerste verhoor op 8 januari 2014 in het voorbereidend onderzoek in deze zaak een adres heeft opgegeven en dat hij op grond van artikel 139 van de Poolse <emphasis role="italic">Code of Criminal Procedure</emphasis> is geïnstrueerd over de verplichting tot het opgeven van een adreswijziging en de gevolgen van het niet doorgeven van die adreswijziging, op basis waarvan naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Daarnaast blijkt uit het EAB dat de oproep voor de zitting - die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015 - naar dit adres is gestuurd maar niet kon worden bezorgd. Vervolgens is er op 18 mei 2015 en 26 mei 2016 een bericht achtergelaten op het adres met de mededeling waar en binnen welke termijn het poststuk kon worden afgehaald. </para>
        <para>Gelet op deze omstandigheden, die, minstgenomen, een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid aan de kant van de opgeëiste persoon aantonen, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis II K 123/13</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon weliswaar niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar op 4 februari 2013 in persoon een oproep voor de zitting heeft ontvangen, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013. De opgeëiste persoon is daarbij ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Het vonnis is vervolgens op 17 maart 2013 in persoon aan de opgeëiste persoon betekend, waarbij hij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft vervolgens niet binnen de voorgeschreven termijn hoger beroep aangetekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank concludeert dat de situaties als bedoeld in artikel 12 onder a en onder c van de OLW van toepassing zijn, zodat artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis II K 123/13 niet aan overlevering in de weg staat.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">door het bevoegd gezag naar zijn identificerende persoonsgegevens gevraagd, een valse naam, voornaam, geboortedatum en geboorteplaats opgeven.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 310, 311 en 435 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Circuit Law Court in Świdnica</emphasis> (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,					                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.P.W. Helmonds en C. Klomp,					   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack,		                         		    griffier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>