<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:3280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T15:22:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 22/756</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3280">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3280</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T15:21:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:3280 Rechtbank Amsterdam , 15-06-2022 / AWB 22/756</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3280:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIA, beroep gegrond. De rechtbank twijfelt aan de juistheid van het medisch onderzoek omdat niet volledig conform richtlijn onderzoek is gedaan naar de vraag of er sprake is van geen benutbare mogelijkheden (GBM) wegens een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis (OPSF).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3280:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 22/756 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Heek),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>verweerder</para>
      <para>( [Gem. verweerder] ).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 26 augustus 2021 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser vanaf 11 mei 2021 tot en met 14 oktober 2021 een loongerelateerde WGA<footnote-ref linkend="_28ffc5d2-bf41-4b20-9ec6-b4bc79891b45" />-uitkering toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 9 september 2021 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser vanaf 15 oktober 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 30 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op een zitting van 11 mei 2022. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn vrouw, [persoon] , en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat aan deze procedure voorafging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser is van januari 2011 tot en met maart 2019 werkzaam geweest als manager bij een [bedrijf] voor 38 uur per week. Na het einde van zijn dienstverband heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Vanuit deze situatie heeft hij zich op 14 mei 2019 ziekgemeld. Bij de Eerstejaars Ziektwetbeoordeling (EZWb) werd eiser voor minder dan 35% arbeidsongeschikt beschouwd. Na bezwaar werd zijn Ziektewetuitkering hervat. Eiser heeft voor de maximale duur van 104 weken (de zogenoemde wachttijd) een Ziektewetuitkering ontvangen.</para>
    <para />
    <para>2. Op 13 april 2021 heeft eiser een WIA<footnote-ref linkend="_b0ff16cd-22f2-4d1c-9ee6-527d4b798bdb" />-uitkering aangevraagd. Met het primaire besluit 1 heeft verweerder eiser vanaf 11 mei 2021 tot en met 14 oktober 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Verweerder baseert dit besluit op een rapport van een primaire arts, akkoord bevonden door een verzekeringsarts, van 20 augustus 2021 en een rapport van een primaire arbeidsdeskundige van 25 augustus 2021. Met het primaire besluit 2 heeft verweerder eiser vanaf 15 oktober 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend. </para>
    <para />
    <para>3. Aan het bestreden besluit heeft verweerder een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 december 2021 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 november 2021 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser meer beperkt geacht en een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 december 2021 opgesteld. Volgens de arbeidsdeskundige zijn niet alle door de primaire arbeidsdeskundige vastgestelde functies meer als passend te beschouwen. Wel vindt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep andere passende functies om tot een schatting te komen. Het arbeidsongeschiktheidspercentage wijzigt daardoor van 44,39% naar 71,37%. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt eiser</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert primair aan dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft op en na 11 mei 2021 en 15 oktober 2021 door zijn ADL<footnote-ref linkend="_ccfcacc9-dc3a-4deb-b239-ff09d933b667" />-afhankelijkheid en zijn onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis. Subsidiair voert eiser aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het opstellen van de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen die eiser ondervindt als gevolg van zijn lichamelijke en psychische klachten. Ter onderbouwing van zijn klachten voert eiser een rapportage aan van 28 maart 2022 van [verzekeringsarts] . Deze verzekeringsarts komt tot meer beperkingen dan door verweerder zijn aangenomen. [verzekeringsarts] acht eiser volledig arbeidsongeschikt wegens onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Gelet op de beperkingen, de functieomschrijvingen en de daarbij behorende belastingen is eiser niet in staat om de geduide functies uit te oefenen. De medische belastbaarheid van eiser wordt in alle geduide functies overschreden. In het onderzoek staat onder meer:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">‘Uit dit onderzoek blijkt dat cliënt zich volledig arbeidsongeschikt acht vanwege een combinatie van zijn lichamelijke en psychische klachten. De huidige klachten op psychisch vlak voldoen diagnostisch zowel aan (DSM 5) criteria voor een depressieve stoornis als voor een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Dit komt overeen met berichtgeving d.d. 24-09-2021 en 26-11-2021 van psycholoog [psycholoog] , die de depressieve stoornis als ernstig 'kwalificeerde', wat ook bleek uit de GAF-score van 45 die namelijk overeenkomt met ernstige symptomen of ernstige beperkingen in het functioneren, op het werk of op school. Gelet op thans aanwezige hoofd- en nevensymptomen van de depressieve stoornis in combinatie met het huidige functioneren van cliënt wordt de kwalificatie 'ernstig' met betrekking tot de depressieve stoornis door ondergetekende onderschreven. Cliënt blijkt zowel op persoonlijk niveau, in samenlevingsverband als op sociaal niveau te disfunctioneren. Met betrekking tot de zelfverzorging kleedt cliënt zich niet aan, neemt geen initiatief en komt hij tot niets zonder aansporing van zijn vrouw, bijvoorbeeld om voor zichzelf te zorgen, zoals blijkt uit het schrijven van 24-09-2021. Op het niveau van samenleven vermijdt cliënt zijn zoontje omdat hij niet tegen zijn geluid/lawaai kan en hij zorgt ook niet voor zijn zoontje omdat hij de energie daarvoor niet heeft, en dit wordt volledig door zijn vrouw gedaan. Ook de sociale rol heeft cliënt volledig laten vallen aangezien hij niet meer werkt, niet aan sport/hobby's doet en geen sociale contacten heeft buiten telefoneren met zijn moeder. Er blijkt dus sprake van een onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren en dit valt te relateren aan onderliggende ernstige psychopathologie in de vorm van een ernstige depressieve stoornis en (complexe) PTSS.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hiervoor vindt al geruime tijd behandeling plaats, actueel middels medicatie en wekelijkse psychotherapie, en de behandeling zal ook nog lang gaan duren gezien op korte termijn (trauma)behandeling van 5 maanden zal starten welke nadien nog gevolgd zal worden door andere therapie.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Concluderend blijkt bij cliënt thans sprake van een onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis(sen) waarvoor langdurig en intensief behandeling plaatsvindt waardoor in verzekeringsgeneeskundige zin van een uitzonderingssituatie sprake is, zoals beschreven in Het Schattingsbesluit, waarbij op medische gronden van volledige arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op berichtgeving van psycholoog [psycholoog] , waarin over een ernstige depressieve stoornis werd geschreven alsook dat rond 30-07-2021 klachten waren verslechterd, wordt het huidige oordeel over de belastbaarheid voor arbeid onveranderd van toepassing geacht op de situatie na 30-07-2021, en dus ook per datum in geding d.d. 15 -10-2021. Aangezien voordien klachten kennelijk minder ernstig waren, wat aansluit bij het gegeven dat eerder diagnostisch van een 'matig' ernstige depressieve stoornis werd uitgegaan blijkens het schrijven van 17-04-2020, wordt onvoldoende grond gezien om te kunnen stellen dat cliënt ook vóór 30-07-2021, waaronder per datum in geding zijnde 11-05 -2021, volledig arbeidsongeschikt op medische gronden te achten was.’</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 11 mei 2021 juist heeft vastgesteld. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is om de geselecteerde functies te verrichten.</para>
    <para />
    <para>6. Uitgangspunt is dat verweerder zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of de opgestelde medische en arbeidskundige rapportages voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.</para>
    <para />
    <para>7. In het Schattingsbesluit staat beschreven wanneer er sprake kan zijn van Geen Benutbare Mogelijkheden.<footnote-ref linkend="_5c51b3ac-e4d7-4133-8a0b-162ba0e24452" /> De criteria zijn:</para>
    <para />
    <para>a. <emphasis role="italic">a) opname ziekenhuis of instelling </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b) chronische bedlegerigheid</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">c) ADL-afhankelijkheid </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">d) onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren als gevolg van een ernstige psychische stoornis</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Schattingsbesluit is meer duidelijkheid gegeven over het begrip Onvermogen tot Persoonlijk en Sociaal Functioneren (OPSF). Het persoonlijk en sociaal functioneren dient op drie terreinen te worden beoordeeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">1. de zelfverzorging in het dagelijks leven, te omschrijven als het zelf aanbrengen van structuur van het dagelijks leven, hygiëne, dagritme, bereiden van maaltijden enzovoort (het microniveau); </bridgehead>
    <bridgehead role="italic">2. het samenlevingsverband, ofwel de wijze waarop iemand zich in gezin en familie opstelt (het mesoniveau); </bridgehead>
    <bridgehead role="italic">3. sociale contacten buiten het gezin waaronder tevens werkrelaties (het macroniveau).</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Alleen als iemand op alle drie terreinen niet kan functioneren kan OPSF worden aangenomen en is iemand op medische gronden volledig arbeidsongeschikt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het bestreden besluit berust, overeenkomstig het eerste lid van artikel 6 van de WIA, op de rapportages die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. In de rapportage van 9 december 2021 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht waarom bij eiser geen sprake is volledige arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat alleen sprake kan zijn van Geen Benutbare Mogelijkheden indien er dusdanige belemmeringen bestaan dat een betrokkene niet of nauwelijks kan functioneren. Dit is het geval bij een opname in een ziekenhuis of een WLZ-instelling, bedlegerigheid en/of ADL-afhankelijkheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoet eiser aan geen van deze criteria. Hij is immers niet opgenomen, niet bedlegerig en niet ADL-afhankelijk van derden. In het kader van psychische klachten dient sprake te zijn van een situatie die zich kenmerkt door een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, zoals blijkt uit onvermogen ten aanzien van zowel de zelfverzorgingsactiviteiten, gezinstaken als activiteiten buiten het gezin. Dit onvermogen dient voort te komen uit een ernstige psychiatrische stoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vast bij eiser wel sprake is van een duidelijke afname van het persoonlijk en sociaal functioneren door een posttraumatische stressstoornis en een depressie die zowel matig als ernstig is genoemd. Echter is bij eiser geen sprake van een onvermogen op alle drie de levensgebieden door een ernstig psychiatrisch ziektebeeld. Verwijzend naar het Schattingsbesluit kan eiser hierdoor niet op medische gronden arbeidsongeschikt worden beschouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt verder nog op dat het hebben van een ernstige depressie niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Een indicatie tot een klinische opname is bij eiser niet gesteld, er is geen dagbehandeling voor één of meerdere dagen per week en er is alleen een poliklinische behandeling.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser betwist de juistheid van deze rapportage. De rechtbank zal daarom beoordelen of de rapportage zorgvuldig tot stand is gekomen, in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.</para>
    <para>10. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep over zowel een matige depressie als een ernstige depressie spreekt. Het rapport is op dit punt tegenstrijdig. Hoewel de verzekeringsarts bij het toetsen van de voorwaarden in het Schattingsbesluit uit is gegaan van een ernstige depressieve stoornis, had de verzekeringsarts hier duidelijker over moeten zijn in het rapport. De ernst van de stoornis is namelijk het beginpunt om de medische beperkingen vast te stellen. De rechtbank volgt wat betreft de ernst van de depressie de motivering van de [verzekeringsarts] . De verzekeringsarts motiveert dat er sprake was van een matige depressie maar dat deze zich heeft ontwikkeld tot een ernstige depressie. Dit blijkt uit de berichtgeving van psycholoog [psycholoog] , waarin over een ernstige depressieve stoornis word geschreven alsook dat rond 30-07-2021 de klachten waren verslechterd. </para>
    <para />
    <para>11. Verder motiveert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er dat bij eiser geen sprake is van OPSF. Een indicatie tot een klinische opname is bij eiser niet gesteld, er is geen dagbehandeling voor één of meerdere dagen per week en er is alleen een poliklinische behandeling. De rechtbank oordeelt dat opname in een instelling een ander criterium is in het Schattingsbesluit om tot geen Benutbare Mogelijkheden te komen. Een indicatie tot klinische opname kan op zichzelf staand dus geen motivering zijn voor het niet aannemen van OPSF. Dit geldt ook voor de lage intensiteit van de behandeling. Het criterium is of eiser op drie terreinen aantoonbaar disfunctioneert, waarbij er een causaal verband moet zijn tussen een ernstige psychische stoornis en het OPSF. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had daarom onderzoek moeten doen naar de volledige feitelijke situatie en daarbij ook rekening moeten houden met het functioneren van eiser in de thuissituatie. De verzekeringsarts heeft ten onrechte alleen gekeken naar de intensiteit van de behandeling. Vervolgens had de verzekeringsarts moeten toetsen in hoeverre eiser op alle drie de terreinen disfunctioneert. Dat de verzekeringsarts op deze wijze onderzoek had moeten doen, blijkt ook uit de UWV-Richtlijn Opname in Ziekenhuis of Instelling, Bedlegerigheid, ADL-afhankelijkheid en OPSF.<footnote-ref linkend="_cc52db8d-ffee-440d-9c28-6446ca00a479" /> Hierin staat onder meer dat de verzekeringsarts OPSF kan ontlenen aan de volgende genoemde onderzoekselementen: Aspecten van de anamnese, eigen onderzoek, aard en ernst van de aandoening, de behandeling, het dagverhaal/functioneren in de thuissituatie/privésituatie, het herstel- en participatiegedrag, waarnemingen door derden, persoonlijkheidsaspecten, cognities en psychodynamische mechanismen en aanvullende gegevens. In bijlage 2 bij deze Richtlijn is het wegingsinstrument OPSF opgenomen dat behulpzaam kan zijn bij de vraag of de klant voldoet aan de OPSF eisen. Hierin wordt ook gekeken naar de feitelijke situatie van de klant. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een zware beperking in de persoonlijke verzorging als er sprake is van zelfverwaarlozing en intensieve hulp noodzakelijk is en meestal ook gerealiseerd. Het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op dit punt onzorgvuldig en onvolledig.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank ziet tot slot concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van [verzekeringsarts] . Uit de hierboven overgenomen overwegingen en andere delen uit het rapport van [verzekeringsarts] blijkt dat hij wel conform voornoemde richtlijn onderzoek heeft gedaan. Hij komt tot de conclusie dat er wel sprake is van OPSF. Eiser wordt door deze verzekeringsarts per 15 oktober 2021 op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.</para>
    <para />
    <para>13. Het medische onderzoek door verweerder is derhalve onzorgvuldig en onvolledig geweest, zodat de beroepsgrond van eiser dat bestreden besluit een deugdelijke grondslag ontbeert, slaagt. Reeds daarom komt dat besluit, wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, voor vernietiging in aanmerking. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie en verzoek tot schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Gelet op het vorenoverwogene zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 en nader moeten onderzoeken of er sprake is van OPSF. </para>
    <para />
    <para>15. Voorts vordert eiser een schadevergoeding van verweerder. Eiser wenst van verweerder een vergoeding van de door hem geleden immateriële schade te ontvangen. Door alle procedures is de gezondheid van eiser verslechtert, zoals ook uit de medische informatie in het dossier blijkt. Gezien het verloop in tijd na de start van de eerste bezwaarprocedure over de Ziektewetuitkering in maart 2020 tot en met de huidige beroepsprocedure waarin de spanning en frustratie over zijn aanspraken op een uitkering van het UWV en daarmee over zijn financiële situatie voortduurt, wenst eiser een schadevergoeding van € 2.500,- (€ 500 per half jaar) van verweerder te ontvangen.</para>
    <para />
    <para>16. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat de opgevoerde immateriële schade niet verband houdt met overschrijding van de redelijke termijn. Dan blijft over dat het verzoek om schadevergoeding verband houdt met psychisch leed als gevolg van het vernietigde bestreden besluit. Het verzoek van eiser om veroordeling van verweerder tot schadevergoeding komt thans sowieso niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door verweerder noodzakelijk is en ook thans nog niet vaststaat dat verweerder aansprakelijk is voor de door het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten geleden schade. Verweerder zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
    <para />
    <para>18. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para />
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. </para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_28ffc5d2-bf41-4b20-9ec6-b4bc79891b45" label="1">
    <para> Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0ff16cd-22f2-4d1c-9ee6-527d4b798bdb" label="2">
    <para> Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ccfcacc9-dc3a-4deb-b239-ff09d933b667" label="3">
    <para> Algemene dagelijkse levensverrichtingen. Dit betekent het lichamelijk niet zelfredzaam zijn door afhankelijkheid van derden voor het uitvoeren van ADL-activiteiten, zijnde zeer basale dagelijkse activiteiten bestemd voor de primaire fysieke zelfstandigheid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c51b3ac-e4d7-4133-8a0b-162ba0e24452" label="4">
    <para> Zie artikel 2 lid 5 van het Schattingsbesluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc52db8d-ffee-440d-9c28-6446ca00a479" label="5">
    <para> Datum 3 oktober 2018</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>