<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:3278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T15:19:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21_565</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3278">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:3278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-14T10:06:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:3278 Rechtbank Amsterdam , 15-06-2022 / 21_565</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3278:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Integrale weigering openbaarmaking rapport niet gerechtvaardigd op grond van de weigeringsgronden van de Wob.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:3278:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/565</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te Amsterdam, eiseres</bridgehead>
    <para>( [Gem. eiseres] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Buitenlandse zaken, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Raterink).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 2 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres van 22 juli 2020 om openbaarmaking van een ADR-rapport getiteld 'Eindrapport Consulair domein’ op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 17 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De gemachtigde van eiseres heeft aan de zitting deelgenomen middels een videoverbinding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat aan deze procedure voorafging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij brief van 22 juli 2020 heeft eiseres op basis van de Wob verweerder verzocht om een kopie van, subsidiair inzage in een ADR-rapport getiteld ‘Eindrapport Consulair Domein’, genoemd in het overzicht van de tweede helft 2019 ADR-rapporten voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het primaire besluit heeft verweerder besloten niet aan het verzoek tegemoet te komen en het verzochte ADR-rapport in zijn geheel niet openbaar te maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard, maar wel het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en besloten de procedurele informatie die ziet op 'Gehanteerde standaard', 'Verspreiding rapport' en 'Ondertekening' openbaar te maken, evenals een deel van de inhoudsopgave van het rapport. De overige informatie heeft verweerder niet openbaar gemaakt. Dit doet verweerder op de gronden dat openbaarmaking van het rapport:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de veiligheid van de Staat in gevaar kan brengen (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob); en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>zou leiden tot onevenredige benadeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob).</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De standpunten van eiseres</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>2. Eiseres is allereerst van mening dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd, omdat niet per onderdeel is toegelicht wat de precieze weging van het te beschermen belang ten aanzien van het algemene belang van openbaarheid is. Daarnaast heeft verweerder de weigeringsgrond ‘veiligheid van de staat’ veel te stringent toegepast door het document in zijn geheel te weigeren, met uitzondering van een paar passages. Verder heeft verweerder volgens eiseres niet gehandeld conform de rijksbrede beleidslijn met als uitgangspunt 'openbaar, tenzij', op grond waarvan het ministerie voor wie de ADR een rapport heeft geschreven het rapport in beginsel binnen zes weken op de departementale pagina plaatst.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. De rechtbank heeft met toestemming van eiseres kennis genomen van het geheime document. Allereerst merkt de rechtbank op dat verweerder bij de Wob-stukken ook de aanbiedingsbrief van 6 april 2021 heeft gevoegd en daarbij ook om geheimhouding van die brief heeft verzocht. Die brief bevat een onverplichte inhoudelijke stellingname van verweerder over de zaak. Het is daarom niet een verplicht over te leggen stuk waarop artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Tegen een dergelijke stuk moet eiseres zich dan ook kunnen verweren. Indien verweerder meende dat die toepassing wel aangewezen was te achten, had hij daarvoor een openbaar verzoek moeten doen aan de rechtbank, waarna de 8:29-rechter (die geen deel uitmaakt van de meervoudige kamer) daarop een beslissing kon nemen. Nu is de rechtbank eerst in raadkamer met dit stuk geconfronteerd en heeft eiseres daarop geen commentaar kunnen leveren. De rechtbank zal het stuk daarom retourneren aan verweerder en buiten beschouwing laten bij de beoordeling van deze zaak. </para>
      <para />
      <para>4. Verweerder heeft integraal openbaarmaking van het rapport geweigerd. Bij het bestreden besluit is een uitzondering gemaakt voor een paar zeer algemene passages waarin procedurele informatie die ziet op 'Gehanteerde standaard', 'Verspreiding rapport' en 'Ondertekening' is opgenomen. Verder is er een deel van de inhoudsopgave openbaar gemaakt. </para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank is van oordeel dat weigering van openbaarmaking van het gehele inhoudelijke gedeelte van het rapport niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de toegepaste weigeringsgronden. De rechtbank ziet na kennisneming van het rapport dat delen van het rapport wel openbaar gemaakt hadden kunnen worden, al dan niet met weglakking van bepaalde bedrijfsnamen of andere informatie. Als voorbeeld noemt de rechtbank de aanbevelingen onderaan de paragrafen 1.1, 1.2 en 1.3 en de vijfde alinea onder 2.1. Het volledig weigeren van deze informatie is dan ook te kort door de bocht.</para>
      <para />
      <para>6. Verweerder heeft bovendien nagelaten om per documentdeel uit te splitsen welke weigeringsgrond van toepassing is, waardoor dit aan de interpretatie van de rechtbank wordt overgelaten. Daarmee heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan zijn verantwoordelijkheid.</para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Aangezien verweerder opnieuw kritisch moet bekijken welke passages openbaar worden gemaakt, dient verweerder een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De hiervoor omschreven passages dienen daarbij als voorbeeld, en niet als een uitputtend bedoelde opsomming van openbaar te maken teksten uit het stuk.</para>
      <para />
      <para>8. Het beroep van eiseres is gegrond. Verweerder dient het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Rodriguez Galvis, voorzitter, en mr. H.J. Tijselink en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op uiterlijk 15 juni 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para />
      <para>voorzitter</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>de voorzitter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>