<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:2909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-08T13:39:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751796-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2909">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2909</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-07T16:13:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:2909 Rechtbank Amsterdam , 27-05-2022 / 13/751796-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2909:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Portugal, tussenuitspraak. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek ten behoeve van nadere informatie over de detentie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2909:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751796-21</para>
      <para>RK nummer: 22/1531</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 27 mei 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 maart 2022 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2021 door <emphasis role="italic">Tribunal Judicial da Comarca do Porto </emphasis>(Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedag] 1989, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres opgeëiste persoon] ,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 mei 2022. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Portugese taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een uitspraak van 15 oktober 2018, welke is herzien op 6 februari 2019 en in gewijsde is gegaan op 21 februari 2019 (referentie: 7/16.6GTMAI).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat alleen ten aanzien van de procedure in hoger beroep moet worden onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 9 mei 2022 het volgende heeft laten weten<footnote-ref linkend="_8a96ab1b-e412-4e2a-9889-49cbea142253" />: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">The last instance that ruled on the defendant's guilt and imposed a sentence on</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">him was the Court of Appeal of Porto (Tribunal da Relação do Porto), by means of the decision handed down on February 6, 2019 (…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de genoemde brief blijkt verder dat het vonnis in hoger beroep is gewezen, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beginsel is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW daarom van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij van belang dat uit de genoemde brief het volgende blijkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon (alsook de officier van justitie) heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De oproeping voor het proces in hoger beroep is verzonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, overeenkomstig het door hem als verdachte getekende <emphasis role="italic">Statement of Identity and Residence</emphasis>. Daarbij is hij gewezen op de aan hem toekomende rechten en de op hem rustende plichten als verdachte, waaronder de plicht om elke adreswijziging door te geven, waarbij uitgelegd wordt welke gevolgen het verzuim van deze plicht met zich meebrengt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt, omdat, zo al niet kan worden gezegd dat hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, hij op zijn minst genomen kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie over de strafrechtelijke procedure. Dit behoort voor zijn risico te komen en mag niet leiden tot een weigering van de overlevering.</para>
    </parablock>
    <para>5. <emphasis role="bold">Strafbaarheid</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Portugal niet aan de overlevering in de weg staan en daarbij gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Bij uitspraak van (onder meer) 6 april 2021<footnote-ref linkend="_aa491135-19db-4fac-8142-cb4fa37cab68" />heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het kritische rapport van de<emphasis role="italic"> European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment</emphasis> (CPT) over Portugal van 13 november 2020, waarbij bezoeken zijn gebracht aan onder meer de gevangenissen in Caxias, Lissabon, Setúbal en Porto. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat de rechtbank in andere uitspraken van ná het CPT-rapport van 13 november 2020 abusievelijk een aantal keer niet heeft onderkend dat op basis van dit CPT-rapport (nog altijd) sprake is van algemeen reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal, leidt niet tot een andere conclusie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet, op grond van het voorgaande, aanleiding om de officier van justitie opdracht te geven om de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende autoriteit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Kan de Portugese autoriteit, onder verwijzing naar de in het CPT-rapport van 13 november 2020 genoemde detentie instellingen, vermelden in welke detentie instelling de opgeëiste persoon, na zijn eventuele overlevering aan Portugal, naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwachting van het antwoord op voornoemde vraag, zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen deze 30 dagen wederom op zitting dan wel in raadkamer zal worden aangebracht om te beslissen over een eventuele verdere verlenging van de beslistermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek voor <emphasis role="bold">onbepaalde tijd</emphasis> teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voornoemde vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid OLW met dertig dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> dat de zaak binnen 30 dagen op zitting, dan wel in raadkamer wordt aangebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. E.G.M.M. van Gessel,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en A.J.R.M. Vermolen,			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van R. Rog,			                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 27 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat te tekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8a96ab1b-e412-4e2a-9889-49cbea142253" label="1">
    <para> Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 10 augustus 2017, C-270/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:628 (Tupikas).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa491135-19db-4fac-8142-cb4fa37cab68" label="2">
    <para> Rechtbank Amsterdam 6 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1627.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>