<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:2583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-23T14:13:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/737289-13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2583">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2583</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-23T14:12:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:2583 Rechtbank Amsterdam , 26-04-2022 / 13/737289-13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2583:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB executie, Polen. Verweer artikel 12 OLW, verworpen. Gelijkstelling met Nederlander. Aftrek detentie in Polen. Overlevering geweigerd, tenuitvoerlegging straf in Nederland.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2583:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/737289-13</para>
      <para>RK nummer: 13/2414</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 april 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2013 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoom] , </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1967, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 18 juni 2013</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 juni 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Al Mansouri. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling van EAB II voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de beslissing op een in Polen ingediend verzoek tot herziening van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 16 juni 2015</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 16 juni 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>De behandeling van EAB II is aangehouden in afwachting van de uitkomst in de zaak Poplawski, waarin de rechtbank overwoog prejudiciële vragen te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen en vervolgens op grond van artikel 22, derde lid, OLW voor onbepaalde tijd verlengd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beslissing 29 december 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 29 december 2021 heeft de raadkamer van de rechtbank de (geschorste) overleveringsdetentie, op verzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon, <?linebreak?>mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam, opgeheven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 13 april 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is opnieuw voortgezet op de openbare zitting van 13 april 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de <emphasis role="italic">District Court in Piła </emphasis>(Polen) van <?linebreak?>28 september 2005 (referentie II K 402/5).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren. Het EAB is uitgevaardigd in 2013 en op dat moment was de oude Overleveringswet van kracht. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW was toen niet facultatief. Bij het vonnis van 28 september 2005 is een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging bij vonnis van 28 september 2011 is bevolen. Nu in het EAB en in de aanvullende informatie van de <emphasis role="italic">District Court in Piła </emphasis>van 1 april 2022 niet staat dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zitting die vooraf is gegaan aan het vonnis van 28 september 2011, en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW onder het oude recht niet facultatief is, dient de overlevering te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan. Artikel 12 OLW strekt zich uit over het vonnis waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, niet over de latere beslissing tot tenuitvoerlegging daarvan. Het vonnis van 28 september 2005 is op <?linebreak?>5 oktober 2005 in persoon aan de opgeëiste persoon betekend. Daarbij heeft de opgeëiste persoon instructie gekregen over zijn recht om in hoger beroep te gaan. Nu de opgeëiste persoon vervolgens geen hoger beroep heeft ingesteld, doet de omstandigheid als omschreven in artikel 12, onder c, onder 2, OLW zich voor. De weigeringsgrond is dus niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
      <para>Nu de Herimplementatiewet geen overgangsrecht bevat, heeft de per 1 april 2021 inwerking getreden OLW onmiddellijke werking. De rechtbank past dan ook artikel 12 OLW (nieuw) toe. </para>
      <para>Beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, voor zover deze de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf niet wijzigen, vallen niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ<footnote-ref linkend="_6e98eb36-264c-4b6c-af27-c941e3070f5d" /> en dus ook niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank dient daarom te beoordelen of de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is op het vonnis van 28 september 2005. In het EAB staat dat dit vonnis op 5 oktober 2005 in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend. Daarbij heeft hij instructie gekregen over zijn recht om hoger beroep in te stellen. In de aanvullende informatie van de <emphasis role="italic">District Court in Piła </emphasis>van 1 april 2022 staat dat de opgeëiste persoon de ontvangstbevestiging heeft ondertekend. De opgeëiste persoon heeft nadien geen hoger beroep ingesteld. Gelet hierop doet de omstandigheid als omschreven in artikel 12, onder c, onder 2, OLW zich voor en is de weigeringsgrond niet van toepassing. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten overvloede merkt de rechtbank op dat toepassing van artikel 12 OLW (oud) tot dezelfde conclusie zou hebben geleid. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.  De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	oplichting. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft in haar uitspraak van 30 juni 2015 (ten aanzien van EAB III) vastgesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW (oud).<footnote-ref linkend="_2120b5c6-ce54-4cfa-93cd-893637f809b3" /> De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in die uitspraak met betrekking tot dit onderwerp (rechtsoverweging 5.3) en concludeert dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6a, negende lid, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in de tussentijd zijn duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan (weer) is kwijtgeraakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen</para>
      <para>opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">oplichting. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Overige verweren  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Aftrek detentie in Polen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank gewezen op een Pools EAB dat is uitgevaardigd op 24 juli 2017 en dat later weer is ingetrokken. De overlevering van de opgeëiste persoon werd verzocht voor de tenuitvoerlegging van de straf die de opgeëiste persoon is opgelegd bij het vonnis van 28 september 2005, het vonnis dat eveneens ten grondslag ligt aan onderhavig EAB. In het EAB van 24 juli 2017 stond dat de opgeëiste persoon op grond van het vonnis van 28 september 2005 nog drie jaren, 11 maanden en twee dagen gevangenisstraf moest uitzitten, omdat de tijd dat de opgeëiste persoon in Polen in detentie heeft gezeten (van 10 juli 2015 tot 7 augustus 2015) van de straf was afgetrokken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze dagen dienen te worden afgetrokken van de straf die de opgeëiste persoon, in het geval dat de straf in Nederland ten uitvoer zal worden gelegd, in Nederland moet uitzitten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gaat ervan uit dat, indien en voor zover de opgeëiste persoon in de periode van 10 juli 2015 tot 7 augustus 2015 in Polen gedetineerd is geweest op grond van het vonnis van de <emphasis role="italic">District Court in Piła </emphasis>(Polen) van 28 september 2005, deze dagen zullen worden afgetrokken van de in Nederland ten uitvoer te leggen gevangenisstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is, dient de overlevering te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoom]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań </emphasis>(Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland, met inachtneming van hetgeen in overweging 7 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoom] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M.E.M. James-Pater,  			                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.P.W. Helmonds en G.M. Beunk,                         	   			   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk,		                        			    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6e98eb36-264c-4b6c-af27-c941e3070f5d" label="1">
    <para> HvJEU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 <emphasis role="italic">(Ardic)</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2120b5c6-ce54-4cfa-93cd-893637f809b3" label="2">
    <para> Rb Amsterdam 30 juni 2015, parketnummer 13/737369-13 (EAB III). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>