<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:2194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-02T10:50:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 4332</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2194">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-02T10:50:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:2194 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2022 / AWB - 21 _ 4332</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2194:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar te laat, geen rechtsmiddelenverwijzing. Volgens verweerder is bezwaartermijn mondeling meegedeeld en was eiser dus hiervan op de hoogte. De rechtbank volgt verweerder niet, gelet op de omstandigheden is er namelijk onvoldoende om dit aan te nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2194:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/4332</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2022 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.G.M. de Groot),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Mensing van Charante).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 31 maart 2021 (het primaire besluit) heeft de gemeente de opvang van eiser in het kader van de landelijke vreemdelingenvoorziening (LVV) beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 20 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 30 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft de gemeente het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, wegens het overschrijden van de termijn voor bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde en door een tolk in de Franse taal, [de persoon 1] . Tevens was als belangstellende aanwezig [de persoon 2] . De gemachtigde van verweerder had zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank bepaalt dat eiser vrijgesteld wordt van het betalen van griffierecht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Besluit 19 mei 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank constateert dat naast de eerdergenoemde besluiten sprake is van een besluit van 19 mei 2020 tot beëindiging van de coronaopvang van eiser. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat ook tegen dit besluit is opgekomen, maar dat hierop nog niet is beslist. De rechtbank stelt vast dat dit punt in deze procedure niet aan de orde is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verschoonbare termijnoverschrijding?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. In deze procedure draait het om het moment waarop het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2021 werd ingesteld. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken.<footnote-ref linkend="_84fc853b-0169-4352-a322-21cceddffd0f" /> Vaststaat dat het bezwaarschrift buiten deze termijn is ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. Als sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, moet niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op grond daarvan achterwege blijven.<footnote-ref linkend="_787759f3-432b-41fe-9350-a5bca50a0c26" /></para>
    <para />
    <para>5. In dit geval staat daarbij vast dat in het schriftelijke besluit geen rechtsmiddelverwijzing<footnote-ref linkend="_feb7172c-2593-4a0a-adcc-1b153bb6bf5a" /> is opgenomen. Niet vermeld is door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt.</para>
    <para />
    <para>6. Volgens vaste rechtspraak leidt het ontbreken van zo’n verwijzing bij een besluit in het algemeen tot de conclusie dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is, als de belanghebbende - zoals in dit geval - daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. </para>
    <para />
    <para>7. Op deze algemene regel geldt een uitzondering als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen, bijvoorbeeld omdat hij al voor afloop van de termijn werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.<footnote-ref linkend="_367bbc7c-c655-4233-a58e-40d0a83591ce" /></para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, omdat bij het uitreiken van het primaire besluit mondeling is verteld hoe en tot wanneer bezwaar kan worden geraakt en wat de termijn daarvoor is. Dit is de vaste praktijk van de gemeente. Eiser had dus kunnen weten dat hij zes weken had om een bezwaarschrift in te dienen. Bovendien was de gemachtigde van eiser steeds erg actief, aldus verweerder.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank volgt verweerder niet in dit betoog. Eiser betwist dat hem de bedoelde mededelingen zijn gedaan. Dat bij verweerder in het algemeen de vaste praktijk bestaat om de regels rond het instellen van bezwaar mondeling toe te lichten, is niet voldoende om in een concreet geval anders te kunnen concluderen. Eiser was op het moment van het uitreiken van het besluit ook niet voorzien van professionele rechtsbijstand. Zijn gemachtigde heeft zich pas op 18 mei 2021 gesteld. Uit de verslagen van de contactmomenten blijkt verder niet meer dan dat er met eiser werd gecommuniceerd via een (telefonische) tolk. Daarbij valt ook te lezen dat hij soms verward lijkt. Een en ander is onvoldoende om aan te nemen dat de mogelijkheden en regels rond het instellen van bezwaar, in weerwil van wat eiser daar zelf over zegt, op een voor hem duidelijke wijze zijn toegelicht.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat er nog geen hoorzitting is geweest, verwijst de rechtbank de zaak terug naar de gemeente. De gemeente zal dus een nieuw besluit moeten nemen. </para>
    <para />
    <para>11. Omdat het beroep gegrond is, moet de gemeente de proceskosten van eiser vergoeden. Dit stelt de rechtbank vast op € 1.518 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier, op 31 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier			</para>
      <para>				rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_84fc853b-0169-4352-a322-21cceddffd0f" label="1">
    <para> Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_787759f3-432b-41fe-9350-a5bca50a0c26" label="2">
    <para> Op grond van artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_feb7172c-2593-4a0a-adcc-1b153bb6bf5a" label="3">
    <para> Als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_367bbc7c-c655-4233-a58e-40d0a83591ce" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1663.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>