<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:2082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-27T11:03:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 21/4069</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2082">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:2082</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-27T11:03:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:2082 Rechtbank Amsterdam , 20-04-2022 / AMS 21/4069</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2082:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vereenvoudigde afdoening (8:54 Awb). Terugkomen door griffier op voorlopige beslissing betalingsonmacht moet worden gemotiveerd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:2082:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/4069</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , te Amsterdam, eiser, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder. </bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 6 augustus 2021 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NTCV). </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser heeft bij verweerder op 10 april 2021 een verzoek om inzage bij de NTCV  ingediend.<footnote-ref linkend="_50bbca16-f5ec-4006-85a5-e56850a2da83" /> De NTCV valt onder de verantwoordelijkheid van verweerder. Om die reden is de Minister van Veiligheid en Justitie als verweerder aangemerkt. Bij brief van 23 mei 2021 heeft eiser verweerder een ingebrekestelling gestuurd.<footnote-ref linkend="_f750151a-dba9-46ec-9b5d-a10afc885aff" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Wettelijk kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. De rechtbank sluit het onderzoek in de zaak omdat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. De rechtbank doet uitspraak zonder dat een zitting wordt gehouden, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.<footnote-ref linkend="_9e185487-1b78-458b-989f-7f400837823e" /></para>
    <para />
    <para>3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen.<footnote-ref linkend="_98041810-358c-44e9-99e2-8e6d91888973" /> In deze zaak is het griffierecht vastgesteld op € 181,-. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is of indien vrijstelling van het griffierecht is verleend wegens betalingsonmacht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Verzoek om vrijstelling betaling griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De griffier heeft het verzoek om vrijstelling op 16 augustus 2021 voorlopig toegewezen. Daarbij is er op gewezen dat het een voorlopige toewijzing is, en dat uiteindelijk de rechter daarover een beslissing zal nemen. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank heeft geconstateerd dat het verzoek om vrijstelling niet was onderbouwd. De griffier heeft eiser daarom bij brief van 7 september 2021 in de gelegenheid gesteld het beroep op betalingsonmacht alsnog met stukken te onderbouwen en het daartoe bestemde formulier ingevuld en ondertekend tijdig terug te zenden. De griffier heeft er daarbij op gewezen dat de omstandigheid dat in andere zaken wel vrijstelling is verleend niet betekent dat dat steeds gebeurt. De beoordeling vindt per zaaknummer plaats. Eiser heeft bij brief van 9 september 2021 gereageerd. De griffier  is na beoordeling van de overgelegde gegevens op de eerdere voorlopige toewijzing teruggekomen en heeft het verzoek om vrijstelling op 12 oktober 2021 alsnog voorlopig afgewezen. In de brief van </para>
    <para>12 oktober 2021 heeft de griffier de gemaakte berekening toegelicht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Uitblijven betaling griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. In de brief van 12 oktober 2021 heeft de griffier aangekondigd dat eiser alsnog een nota voor het griffierecht zal krijgen, en dat het uitblijven van betaling binnen de daarin gestelde termijn tot niet-ontvankelijkheid kan leiden. De griffier heeft eiser bij brief van </para>
    <para>15 oktober 2021 een betaaltermijn van twee weken gesteld. In een per aangetekende post verzonden brief van zaterdag 30 oktober 2021 heeft de griffier eiser een tweede betaaltermijn van twee weken gegeven. Dat betekent dat het griffierecht uiterlijk op maandag 15 november 2021 door de rechtbank moest zijn ontvangen. </para>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft het griffierecht niet betaald. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank heeft eiser niet meer in de gelegenheid gesteld om de reden van het achterwege laten van de betaling van het griffierecht toe te lichten,  De reden is dat eiser in reactie op de voorlopige afwijzing van 12 oktober 2021 en de toegezonden nota, de rechtbank bij brief van 23 oktober 2021 heeft bericht dat de boodschap hem duidelijk is, dat hij het verschuldigde griffierecht niet kan betalen en dat hij de uitspraak van de rechter tegemoet ziet. Eiser heeft geen nadere gegevens omtrent zijn inkomen verstrekt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat de door de griffier in de brief van 12 oktober 2021 gemaakte berekening correct is en dat het verzoek van eiser om vrijstelling van het griffierecht moet worden afgewezen. </para>
    <parablock>
      <para>Uit de door eiser ingezonden stukken blijkt dat eiser een PW-uitkering heeft, berekend naar de norm van een alleenstaande.<footnote-ref linkend="_4742fd30-f7af-4cb0-8fd1-6c64c4820135" /> Op die norm kan zoals in de brief van 12 oktober 2021 is uiteengezet, alleen een terugvordering van € 53,94 in mindering worden gebracht. Dit is (afgerond) precies 5% van de norm. Het in aanmerking te nemen inkomen ligt daarmee op 95% van de norm van een PW-uitkering voor een alleenstaande. Op die norm kan, zoals in de brief van 12 oktober 2021 is uiteengezet, alleen een terugvordering van € 53,94 in mindering worden gebracht. Het in aanmerking te nemen inkomen ligt daarmee precies op </para>
      <para>€ 1024,76. Dit is 95% van de norm van een PW-uitkering voor een alleenstaande in de relevante periode (1 juli 2021 – 31 december 2021). Dit bedrag is gepubliceerd op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het voorgaande betekent dat eisers inkomen (net) niet laag genoeg is om vrijstelling voor het betalen van het griffierecht te kunnen krijgen. De hogerberoepscolleges hebben de grens vastgesteld op 95% van de norm van een PW-uitkering voor een alleenstaande. Daarbij is bepaald dat een inkomen dat <emphasis role="italic">lager </emphasis>is dan de genoemde 95% van de norm in aanmerking komt voor vrijstelling. Eisers inkomen  is 95% van de genoemde norm en ligt daar dus niet onder. De grens van 95% houdt verband met de beslagvrije voet. Dat betekent dat deze situatie vaker voorkomt en dat de norm is vastgesteld vanuit de gedachte dat alleen indien het inkomen lager ligt vrijstelling aan de orde kan zijn.  Eisers beroep op betalingsonmacht wordt dan ook definitief afgewezen. </para>
    <para />
    <para>11. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank komt hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling is bij die uitkomst geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>20 april 2022 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier		</para>
      <para>					rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een verzetschrift opsturen naar deze rechtbank. U kunt een verzetschrift opsturen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In het verzetschrift kunt u vragen om te worden gehoord. In dat geval vindt alsnog een zitting plaats.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll: M.P.O.</para>
      <para>D: B</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_50bbca16-f5ec-4006-85a5-e56850a2da83" label="1">
    <para> 	artikel 34 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f750151a-dba9-46ec-9b5d-a10afc885aff" label="2">
    <para> 	artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9e185487-1b78-458b-989f-7f400837823e" label="3">
    <para> 	artikel 8:54, eerste lid, van de Awb </para>
  </footnote>
  <footnote id="_98041810-358c-44e9-99e2-8e6d91888973" label="4">
    <para> 	artikel 8:41 van de Awb </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4742fd30-f7af-4cb0-8fd1-6c64c4820135" label="5">
    <para> 	PW is de afkorting van een uitkering ingevolge de Participatiewet, kort gezegd een bijstandsuitkering </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>