<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:1844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T14:19:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/654072-16 (Promis)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1844">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1844</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-07T13:48:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:1844 Rechtbank Amsterdam , 06-04-2022 / 13/654072-16 (Promis)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1844:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank komt tot het oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces in de onderhavige zaak zodanig is geschonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1844:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/654072-16 (Promis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 6 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten) op [geboortedag] 1988,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 maart 2019 en 23 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat haar raadsman, mr. M.A.I. Witlox, naar voren heeft gebracht. Verdachte is niet op de terechtzitting van 23 maart 2022 verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 juni 2015 tot en met 17 augustus 2017, te Amsterdam en/of elders in Nederland, een voorwerp, te weten een OV-chipkaart (kaartnummer [nummer] : zaak L) en/of een iPhone (IMEI-nummer [nummer2] : zaak L) en/of een geldbedrag van 3500 euro en/of een of meer tas(sen) (merk Louis Vuitton), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten voornoemd(e) OV-chipkaart en/of iPhone en/of geldbedrag en/of tas(sen) gebruik</para>
      <para>heeft gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd(e) OV-chipkaart en/of iPhone en/of geldbedrag en/of tas(sen) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Ontvankelijkheid van de officier van justitie</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Er is sprake van een aanzienlijke schending van de redelijke termijn, waardoor het Openbaar Ministerie het niet langer opportuun acht de strafvervolging door te zetten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de officier van justitie onder meer erop gewezen dat het gaat om oude feiten waarvoor de hoofdverdachte in 2017 is veroordeeld, verdachte een katvanger betreft die een geringe rol heeft gespeeld in het onderzoek en er zich geen benadeelde partijen in het proces hebben gevoegd. Gelet op de grote werkvoorraad is het niet gelukt om de zaak na de regiezitting van 13 maart 2019 eerder ter terechtzitting aan te brengen. De officier van justitie acht het niet langer opportuun om verdachte te vervolgen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het gaat om een feit van 6.5 jaar geleden, waardoor het lastig wordt om aanvullend opsporingsonderzoek te verrichten. Er is sprake van een schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 3 april 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:BM3175).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beoordeling van de vordering tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie kan naar het oordeel van de rechtbank niet alleen worden verricht op basis van de duur van de overschrijding van de redelijke termijn. De procedure als geheel dient in de beoordeling te worden betrokken. Er moet sprake zijn van een zodanige ernstige inbreuk op het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak van verdachte speelt daarbij een zwaarwegende rol, alsook de mogelijkheid tot waarheidsvinding na verloop van tijd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In deze zaak kan niet op voorhand zonder meer worden gezegd dat op eenvoudige wijze tot een vrijspraak of bewezenverklaring kan worden gekomen. Hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek nodig. Voor een deel zal dat onderzoek bestaan uit het nader horen van één of meerdere getuige(n). Bekend is dat de feilbaarheid van het geheugen toeneemt naar gelang de tijd verstrijkt. Nu in de onderhavige zaak sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop, wordt een zorgvuldige beoordeling door de rechtbank daardoor in sterke mate beïnvloed.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De ten laste gelegde feiten hebben zich voorgedaan in de periode van 26 juni 2015 tot en met 17 augustus 2017. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 4 mei 2016. Verdachte is op die datum in verzekering gesteld. De hoofdverdachte, [naam1] is op 25 juli 2017 veroordeeld. Op 12 maart 2019 heeft er betreffende verdachte een pro forma terechtzitting plaatsgevonden, waarbij onder meer het verzoek van de raadsman van verdachte om [naam1] als getuige bij de rechter-commissaris te horen door de rechtbank is toegewezen. Op 4 juni 2019 heeft de rechter-commissaris laten weten dat [naam1] niet op korte termijn kon worden gehoord. De getuige is medio 2017 naar Nigeria uitgezet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De zaak van verdachte is vervolgens pas weer op 23 maart 2022 op zitting gepland. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze zaak met bijna 4 jaar is overschreden, wat niet aan verdachte kan worden toegerekend. Niet is gebleken dat de hiervoor genoemde getuige nu wel zou kunnen worden gehoord. Daarbij komt dat indien de rechtbank de behandeling van de zaak zou aanhouden voor nader onderzoek, de termijnoverschrijding nog verder zou oplopen. De mogelijkheid tot waarheidsvinding wordt daarmee in aanzienlijke mate aangetast, waarmee de kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting in het gedrang komt. Daarmee wordt een zorgvuldige en betrouwbare beoordeling door de rechtbank van het ten laste gelegde onmogelijk gemaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tot slot weegt de rechtbank mee dat niet is gebleken van een zodanig maatschappelijk belang bij strafrechtelijke vervolging dat opweegt tegen de mate waarin het recht op een eerlijk proces is aangetast. De rechtbank merkt in dit verband op dat zich geen benadeelde partijen in het proces hebben gevoegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijk proces zodanig is geschonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het Openbaar Ministerie <emphasis role="bold">niet-ontvankelijk</emphasis> in de vervolging van verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. R.A. Sipkens,	 								voorzitter,</para>
      <para>mrs. E. Akkermans en D.A. Segbedzi, 							rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, 						griffier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>