<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:1560</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-09T12:38:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 3858</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1560">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1560</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-19T11:46:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:1560 Rechtbank Amsterdam , 25-03-2022 / AWB - 21 _ 3858</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1560:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het college kan zich niet opnieuw uitlaten over de vraag of een e-mail een besluit is na een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank op grond van artikel 8:54 Awb dat die e-mail een besluit is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1560:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 21/3858 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2022 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de besloten vennootschap Apotheek de Dreef B.V., te Amsterdam, eiseres,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder, (hierna: college),</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 juli 2020 is in een e-mailbericht aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij de door haar verzochte parkeerplaatsen niet toegewezen krijgt. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres </para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op een zitting van 23 februari 2022. Eiseres is vertegenwoordigd door [gemachtigde eiseres] en bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanleiding voor deze procedure</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres exploiteert een apotheek aan de [adres] te Amsterdam. </para>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft op 6 januari 2020 een verzoek ingediend bij de gebiedsmakelaar ArenAPoort om twee tot drie parkeerplaatsen te verkrijgen voor bezoekers van haar apotheek. Op 14 juli 2020 heeft de gebiedsmakelaar per e-mail (hierna: het e-mailbericht) laten weten dat het niet mogelijk is om de parkeerplaatsen te realiseren. Op </para>
    <para>11 september 2020 heeft het college het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ontvangen. Op 15 september 2020 ontvangt eiseres een brief dat haar bezwaarschrift niet gericht is tegen een besluit en wordt doorgestuurd naar de gebiedsmakelaar. Omdat een beslissing op haar bezwaar uitbleef, heeft eiseres het college op 11 januari 2021 in gebreke gesteld. Vervolgens heeft het college ook deze brief doorgestuurd naar de gebiedsmakelaar. Daarna is eiseres in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift. Op 28 juni 2021 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het beroep van eiseres gegrond verklaard, waarbij het college is opgedragen alsnog een beslissing op het bezwaar te nemen.<footnote-ref linkend="_c6f0d771-ee95-4df2-931b-364e500bdeb2" /> Op 6 juli 2021 heeft het college deze beslissing genomen (het bestreden besluit) en daartegen richt zich het beroep in deze zaak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van eiseres</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college het e-mailbericht ten onrechte niet aanmerkt als een besluit. De rechtbank heeft hierover al geoordeeld. Daarbij heeft de gebiedsmakelaar bij eiseres het vertrouwen gewekt bevoegd te zijn het besluit te nemen. Ook vindt eiseres de weigeringsgrond uit de Parkeerverordening 2012 niet voldoende gemotiveerd. Verder is zij ten onrechte niet gehoord in bezwaar. Volgens eiseres dient het college alsnog een inhoudelijk besluit te nemen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van het college</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Het college stelt zich op het standpunt dat het e-mailbericht geen besluit is. Het is niet genomen door of namens een bestuursorgaan. Verder kan het e-mailbericht niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. De Parkeerverordening 2013 voorziet niet in de mogelijkheid om de verzochte parkeerruimte aan te wijzen. Tot slot stelt het college dat het bezwaar van eiseres ook niet-ontvankelijk is als het e-mailbericht wel een besluit zou zijn, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat door de uitspraak van 28 juni 2021 genoemd onder rechtsoverweging 2 vast staat dat het e-mailbericht een besluit is. Daarin overweegt de rechtbank dat het e-mailbericht een besluit is, omdat het college zich op het standpunt stelt dat het verzoek van eiseres om extra parkeerplekken niet voor inwilliging in aanmerking komt. Daarmee behelst het e-mailbericht in zoverre een publiekrechtelijke handeling dat is gericht op rechtsgevolg, waardoor sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank stelt vast dat daartegen geen rechtsmiddel van verzet is ingediend. Daarom is die uitspraak van de rechtbank onherroepelijk en staat deze in rechte vast. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank acht daarbij van belang op te merken dat de rechtbank in haar uitspraak van 28 juni 2021 voornoemde overweging heeft genomen in respons op het uitdrukkelijke standpunt van het college in die procedure dat het e-mailbericht geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zou zijn.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is het bezwaar tijdig ingediend?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar bezwaarschrift te laat heeft ingediend en dat dit haar kan worden verweten. Eiseres geeft aan dat zij haar bezwaarschrift op 6 augustus 2020 per reguliere post heeft verzonden. Omdat zij van het college geen reactie ontving, heeft zij haar bezwaarschrift nogmaals, dit keer aangetekend, op </para>
    <parablock>
      <para>10 september 2020 verstuurd. Eiseres heeft van de verzending op 6 augustus 2020 geen stukken overgelegd en daarom niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift op die datum is verstuurd. De rechtbank gaat daarom uit van verzending van het bezwaarschrift op </para>
      <para>10 september 2020. Dat is meer dan zes weken na het besluit van 14 juli 2020 en dus te laat. Het ontbreken van een bezwaarclausule in het e-mailbericht, leidt er niet toe dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Ter zitting is namelijk vastgesteld dat het bezwaarschrift is ingediend door [gemachtigde eiseres] , gemachtigde van eiseres, en zij is als juriste werkzaam bij de gemeente Amsterdam. De rechtbank is van oordeel dat zij had kunnen weten dat zij binnen zes weken na verzending van het e-mailbericht bezwaar had moeten indienen. Nu het bezwaarschrift door het college op 11 september 2020 is ontvangen, is dat te laat. Dit betekent dat het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het college heeft het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. M.M. Mazurel, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier</para>
      <para> rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c6f0d771-ee95-4df2-931b-364e500bdeb2" label="1">
    <para> Zie de uitspraak met kenmerk AMS 21/1241. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>