<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:1521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-05T16:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK 21/5572</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1521">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1521</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-29T16:33:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:1521 Rechtbank Amsterdam , 10-01-2022 / RK 21/5572</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1521:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Klaagschrift ex artikel 164 lid 8 WvW 1994 gegrond voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 13 januari 2022 (teruggave rijbewijs mi.v. 13 januari 2022).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1521:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="57a85f72-ce87-4942-abd2-94146013b188" depth="16" width="554" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>beschikking</para>
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 96/247498-21</para>
      <para>RK: 21/5572</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [klager] ,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), </para>
      <para>woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, </para>
      <para>mr. M.J.C. Verlaan, [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>De procesgang</title>
    <para>Het klaagschrift is op 15 oktober 2021 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft op 10 januari 2022 klager, zijn raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De inhoud van het klaagschrift</title>
    <para>Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van klager heeft in raadkamer – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Klager is vanwege een medische aandoening al tien jaar afgekeurd. Die medische situatie is ongewijzigd. Een infectie heeft een vernauwing in de aders van zijn benen veroorzaakt als gevolg waarvan klager invalide is. Er is behalve de doktersverklaring van december 2020  geen recente verklaring. Klager heeft in 2021 een invalidekaart toegekend gekregen, die zal steeds worden getoetst. </para>
      <para>Klager heeft weliswaar recidive voor soortgelijke feiten, maar het betreft oude feiten waarvan de meest recente uit 2016 is. Daarbij is hij nooit eerder zijn rijbewijs kwijtgeraakt. Volgens de richtlijnen van het LOVS zou met dit promillage een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden worden opgelegd. Dat is korter dan de door de officier van justitie bevolen inhouding. De raadsman acht het niet ondenkbaar dat aan klager, die is aan te merken als first offender, door de rechtbank, later oordelend, een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie of vier maanden zal worden opgelegd. De raadsman verzoekt de rechtbank om teruggave van het rijbewijs, per direct, althans met ingang van 13 januari 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager heeft in raadkamer nog aangevoerd dat hij de auto dringend nodig heeft voor boodschappen en familiebezoek. Klager is vanwege zijn medische situatie niet in staat om lang te staan en hij kan niet meer dan 100 meter lopen.  Hij zorgt voor de boodschappen omdat zijn vrouw vijf soms zes dagen in de week werkt van 8.00 uur tot 17.00 uur. Ze heeft wel een rijbewijs.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het standpunt van het Openbaar Ministerie</title>
    <para>De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS – ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingevorderd en ingehouden geweest en dat het persoonlijk belang van klager niet opweegt tegen het algemeen belang, waaronder de verkeersveiligheid, dat met verdere inhouding is gediend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In raadkamer heeft de officier van justitie nog aangevoerd dat klager zijn invaliditeit onvoldoende heeft onderbouwd. Er is slechts een doktersverklaring van 11 december 2020 overgelegd, recente informatie ontbreekt. Hoewel de officier van justitie wel wil aannemen dat er wat aan de hand is met klager, vindt zij dat gelet op het promillage alcohol en gelet op de recidive de belangen van klager onvoldoende zwaarwegend zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>De beoordeling</title>
    <para>Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 lid 2 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 15 september 2021. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de uitslag van het bij klager afgenomen ademonderzoek 700 µg/l (microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) bedroeg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 15 september 2021 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 16 september 2021 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk – zeven maanden – tot 13 april 2022 wordt ingehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het Uittreksel Justitiële Documentatieregister (het strafblad) van 16 december 2021 van klager blijkt onder meer dat sprake is van recidive voor soortgelijke feiten, waarvan de meest recente veroordeling uit 2016 is. Klager is niet eerder veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid, ook niet tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 april 2022 zal de strafzaak tegen klager worden behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van klager hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het rijbewijs van klager op grond van de verdenking terecht is ingevorderd. De vraag is dan of de belangen van klager zwaarder dienen te wegen en of de kans bestaat dat klager in de toekomst nogmaals de fout in zal gaan. Klager is nooit eerder zijn rijbewijs kwijt geweest. Nu klager zijn rijbewijs al vier maanden kwijt is, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het niet uitgesloten is dat de strafrechter ruimte ziet een inhouding van het rijbewijs voor een kortere duur te compenseren met een (hogere) boete, taakstraf of het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zodat klager zijn rijbewijs terug dient te krijgen met ingang van </para>
      <para>13 januari 2022. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor de strafrechter om later alsnog een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen die de duur van inhouding overtreft. Het beklag zal gegrond verklaard worden, voor zover het rijbewijs van klager wordt ingehouden na 13 januari 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beklag <emphasis role="bold underline">gegrond</emphasis>, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 13 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager, met ingang van </para>
      <para>13 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door</para>
      <para>mr. R.C.J. Hamming, 	rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van A. Gordon, 	griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>