<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:142</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-28T14:42:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9329904 CV EXPL 21-10040</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:142">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:142</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-25T14:35:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:142 Rechtbank Amsterdam , 17-01-2022 / 9329904 CV EXPL 21-10040</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:142:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Consumentenrecht. Uit stellingen van eiser is  niet af te leiden of bij sluiten overeenkomst is voldaan aan de informatieverplichtingen van afdeling 2B, titel 5  boek 6 BW. Geen inhoudelijke beoordeling maar afwijzing wegens schenden stelplicht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:142:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="1196253e-349b-46e8-9570-d9974c5bca11" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="d78b8d0a-ff51-4d2c-88b3-aa61818146f9" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 9329904  CV EXPL 21-10040</para>
      <para>vonnis van:  17 januari 2022</para>
      <para>fno.:  534</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">vonnis van de kantonrechter</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>I n z a k e</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , handelend onder de naam Anti Incasso</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>eiser</para>
      <para>nader te noemen: [eiser]</para>
      <para>gemachtigde: Swier CS Gerechtsdeurwaarders en incassospecialisten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [gedaagde]
    </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>nader te noemen: [gedaagde]</para>
      <para>procederend in persoon</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">VERLOOP VAN DE PROCEDURE</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:</para>
      <para>- de dagvaarding van 28 juni 2021, met producties;<?linebreak?>- het proces-verbaal van het mondeling antwoord;<?linebreak?>- instructievonnis;<?linebreak?>- dagbepaling mondelinge behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 december 2021. Voorafgaand aan deze zitting zijn namens [eiser] nog aanvullende producties ingediend alsmede een eisvermeerdering. <?linebreak?> is in persoon verschenen vergezeld door mr. D.S. van Boven die hem bij deze gelegenheid als gemachtigde bijstond. Ook [gedaagde] is in persoon verschenen maar werd door niemand bijgestaan. <?linebreak?>Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet, [eiser] mede door ter zitting overgelegde pleitaantekeningen. Ook hebben partijen vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken.<?linebreak?>[gedaagde] heeft ter zitting nog een productie (een vaststellingsovereenkomst van 6 september 2018) ingediend. <?linebreak?>De zaak is uiteindelijk aangehouden voor minnelijk overleg. </para>
      <para>Bij akte is namens [eiser] meegedeeld dat er ondanks zijn inspanningen geen contact meer is geweest met [gedaagde] zodat de kantonrechter wordt vraagt alsnog vonnis te wijzen, waarna vonnis is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>GRONDEN VAN DE BESLISSING</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vordering en verweer</title>
    <para />
    <para>1. [eiser] vordert na een vermeerdering van eis dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te    <?linebreak?>      verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling van:<?linebreak?>      - € 4.240,- aan hoofdsom;<?linebreak?>      - € 524,95 aan buitengerechtelijke kosten;<?linebreak?>      - € 282,93 aan wettelijke rente berekend tot en met 23 november 2021;<?linebreak?>      - de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>2. Aan deze vordering legt [eiser] - kort gezegd - ten grondslag dat [gedaagde] hem, althans zijn onderneming Anti Incasso, heeft gevraagd hem bij te staan in een geschil met zijn voormalig werkgever Connexxion die [gedaagde] medio 2018 op staande voet had ontslagen. Daartoe is een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan [eiser] een vergoeding toekomt ter hoogte van de gevorderde hoofdsom. [eiser] heeft ook daadwerkelijk werkzaamheden voor [gedaagde] verricht door hem te begeleiden bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.<?linebreak?></para>
    <para>3. [gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd betwist en daartoe aangevoerd dat [eiser] hem als vriendendienst heeft geholpen. De vaststellingsovereenkomst die [eiser] hielp sluiten, heeft [gedaagde] binnen de bedenktermijn ingetrokken. Uiteindelijk heeft hij via een advocaat alsnog een regeling met Connexxion getroffen. Hij is [eiser] dus ook niets verschuldigd, althans, niet het bedrag dat [eiser] nu van hem vordert.<?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling<?linebreak?></title>
    <para>4. Het ‘informatieformulier 2.0 voor zaken waarin de gedaagde een natuurlijk persoon is’ dat aan de dagvaarding is gehecht, vermeldt dat de overeenkomst tussen partijen is gesloten binnen de verkoopruimte. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat deze overeenkomst, waarvan [gedaagde] de totstandkoming en/of inhoud overigens weerspreekt, online dan wel telefonisch is gesloten en derhalve niet binnen de verkoopruimte. De dagvaarding voldoet op dit punt dus niet aan het bepaalde in artikel 21 Rv.<?linebreak?></para>
    <para>5. Uit het voorgaande volgt dat (indien zou komen vast te staan dat een overeenkomst </para>
    <parablock>
      <para>      tussen partijen werd gesloten) sprake is van een overeenkomst op afstand. Nu [eiser] </para>
      <para>      daarbij heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep en bedrijf terwijl [gedaagde] als <?linebreak?>      consument heeft te gelden, dient de kantonrechter ambtshalve te toetsen of voorafgaand <?linebreak?>      aan en bij de totstandkoming van de overeenkomst op afstand aan de wettelijke<?linebreak?>      informatieverplichtingen als bedoeld in afdeling 2B, titel 5 van boek 6 BW (in werking <?linebreak?>      sinds 13 juni 2014) is voldaan, alsmede of er een beroep wordt gedaan op <?linebreak?>      oneerlijke bedingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Indien de eisende partij in de dagvaarding onvoldoende stelt dat de relevante <?linebreak?>      informatieverplichtingen jegens de consument zijn nageleefd, is de vordering niet <?linebreak?>      toewijsbaar (zie Hoge Raad 12-11-2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, r.o. 3.1.17). Daarvan <?linebreak?>      is in dit geval sprake nu de dagvaarding geen enkele stelling bevat over de wettelijke </para>
    <parablock>
      <para>      informatieverplichtingen. Evenmin zijn stukken in het geding gebracht die op de <?linebreak?>      naleving daarvan wijzen. Aan een ambtshave toetsing van deze verplichtingen wordt </para>
      <para>      derhalve niet toegekomen, noch aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. De <?linebreak?>      vordering wordt afgewezen.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>7. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiser] in de proceskosten veroordeeld die aan </para>
    <para>      de kant van [gedaagde] worden begroot op nihil.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>wijst de vordering af;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr.  mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar </para>
        <para>uitgesproken op 17 januari 2022  in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>