<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2022:1172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-21T13:10:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751645-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1172">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2022:1172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-17T15:18:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2022:1172 Rechtbank Amsterdam , 10-03-2022 / 13/751645-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1172:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen, executie. Gelijkstelling met een Nederlander. Tenuitvoerleggingstermijn vonnis 1 verstreken, weigering op grond van artikel 9 OLW. Artikel 12 OLW niet van toepassing. Weigering vonnis 2 op grond van artikel 6a OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2022:1172:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">				RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751645-14</para>
      <para>RK nummer: 14/5078</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 maart 2022  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2012 door de <emphasis role="italic">Regional Court of Law in Częstochowa </emphasis>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: <?linebreak?>[adres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zittingen 23 september 2014 en 13 februari 2015</emphasis>
      </para>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 23 september 2014 en 13 februari 2015. De verhoren hebben plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. A Cinar, advocaat te Maastricht. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen op de zitting van 13 februari 2015 eerst met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank, gelet op de aanhouding van de behandeling van de vordering op de zitting van 23 september 2014, er niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 27 februari 2015</emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 27 februari 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 5 juni 2015</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 5 juni 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. A. Cinar, advocaat te Maastricht. De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door een tolk in de Poolse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 19 juni 2015 </emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 19 juni 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en opnieuw voor onbepaalde tijd geschorst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 24 februari 2022</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 24 februari 2022. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F. de Vries, advocaat te Beek, en door een tolk in de Poolse taal.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon 		</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen van de Districtsrechtbank te Częstochowa, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>een vonnis van 8 februari 2005 (XI K 1366/04) (vonnis 1); </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een vonnis van 13 december 2006 (XI K 480/06) (vonnis 2). </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden (vonnis 1) en een vrijheidsstraf van 1 jaar (vonnis 2). De vrijheidsstraf inzake vonnis 1 dient door de opgeëiste persoon nog geheel te worden ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van de vrijheidsstraf inzake vonnis 2 resteren volgens het EAB nog negen maanden en 13 dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Gelijkstelling met een Nederlander</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 19 juni 2015</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 19 juni 2015 vastgesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot dit onderwerp (rechtsoverweging 6.4) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in de tussentijd zijn duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan (weer) is kwijtgeraakt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon, indien – voor zover hier van belang – de overlevering wordt gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf, worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, gelet op hetgeen hiervoor onder 4 met betrekking tot de gelijkstelling is overwogen. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Op het feit in vonnis 1, dat in het Wetboek van Strafrecht (Sr) als misdrijf wordt aangemerkt, staat op grond van artikel 326 Sr een maximumstraf voor de duur van vier jaren. Ingevolge artikel 6:1:22 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv) is de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Aangezien die (laatste) termijn twaalf jaren beslaat (artikel 70, eerste lid, onder 2 Sr), bedraagt de tenuitvoerleggingstermijn zestien jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze verjaringstermijn is aangevangen op 9 februari 2005, waardoor de tenuitvoerleggingstermijn op 9 februari 2021 is verstreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f OLW is daarom van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor onder 1 al is vastgesteld, is de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB voor het eerst behandeld op de zitting op 23 september 2014. De opgeëiste persoon is toen verschenen, is in ieder geval vanaf die datum altijd vindbaar geweest en heeft zich tot op heden aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden. </para>
      <para>Zoals eveneens onder 1 is vastgesteld zijn er op 27 februari 2015 en op 19 juni 2015 tussenuitspraken gewezen. Daarna is er, tot de zitting op 24 februari 2022, niets meer met deze zaak gebeurd, waardoor de tenuitvoerleggingstermijn is verstreken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is het verstrijken van de termijn niet aan het gedrag van de opgeëiste persoon te wijten. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te zien van de toepassing van deze weigeringsgrond en weigert de overlevering voor zover verzocht voor vonnis 1 (het vonnis van 2 februari 2005 (XI K 1366/04)). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank laat vonnis 1 verder buiten beschouwing, nu de overlevering ten aanzien van dit vonnis wordt geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak 27 februari 2015</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 27 februari 2015 geoordeeld over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Ten aanzien van vonnis 2 (XI K 480/06) heeft de rechtbank geoordeeld dat de weigeringsgrond niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon en zijn raadsman aanwezig zijn geweest op zittingen in het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Dit oordeel blijft in stand en de overwegingen met betrekking tot dit oordeel (rechtsoverweging 4, ‘Ten aanzien van vonnis 2 (XI K 480/06)’) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals hiervoor onder 4 al is opgemerkt heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van 19 juni 2015 vastgesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen bij vonnis 2</para>
      <para>opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de hiervoor onder 7 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de in vonnis 2 opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering voor vonnis 2 weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vastgesteld is dat ten aanzien van het vonnis van 8 februari 2005 (XI K 1366/04) de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is en dat ten aanzien van het vonnis van 13 december 2006 (XI K 480/06) de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. Nu de rechtbank voor beide vonnissen geen aanleiding ziet om van haar bevoegdheid tot weigering af te zien, weigert de rechtbank de overlevering. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 45, 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a, 7 en 9 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Regional Court of Law in Częstochowa </emphasis>(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bij het vonnis van 13 december 2006 (XI K 480/06) opgelegde vrijheidsstraf in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de overleveringsdetentie van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon].</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				                         		              voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.P.W. Helmonds en M.C.M. Hamer,                         		   		    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.A. Dijk,						     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 10 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>