<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:8377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T15:31:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/233519-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:8377">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:8377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T14:26:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:8377 Rechtbank Amsterdam , 01-09-2021 / 13/233519-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:8377:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veroordeling wegens artikel 6 WVW, gelboete van € 1.000 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:8377:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VERKORT VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/233519-20</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 1 september 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de verdachte]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 augustus 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.E. Woudman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Leusden, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>door zijn schuld op 21 mei 2020 een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, door met een door hem bestuurde stadsbus op een kruising rechts af te slaan en daarbij geen voorrang te verlenen aan de rechtdoor gaande fietsster [slachtoffer] , dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in Bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan worden bewezen. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. Verdachte reed op de rijbaan naast het slachtoffer dat op het naastgelegen fietspad fietste. Toen de verkeerslichten voor zowel verdachte als het slachtoffer groen licht uitstraalden, is verdachte op de kruising rechts afgeslagen terwijl hij het slachtoffer, die de kruising rechtdoor wilde oversteken, voorrang had moeten verlenen. Uit de beelden is gebleken dat hij het slachtoffer heeft kunnen en moeten zien. </para>
        <para>De verwondingen die ten gevolge van het verkeersongeval aan het slachtoffer zijn toegebracht, namelijk een verbrijzelde voet, kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW. Verdachte heeft een enkele verkeersfout gemaakt door aan het slachtoffer geen voorrang te verlenen, omdat hij haar niet heeft gezien. Hoewel zij wel voor hem waarneembaar moet zijn geweest en hij zijn rijgedrag daarop had moeten afstemmen, is dat onvoldoende om te kunnen spreken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Uit het dossier zijn namelijk verder geen gedragingen gebleken die in combinatie met het geen voorrang verlenen zijn aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend. Verdachte heeft rustig gereden, is volgens de raadsman eerst voor het rode verkeerslicht gestopt, heeft meermalen links en rechts gekeken en is de bocht rustig ingestuurd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het handelen van verdachte kan wel leiden tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 20 mei 2021 reed verdachte als buschauffeur in een stadsbus over de Van Baerlestraat te Amsterdam. Verdachte is op de kruising bij het Concertgebouw rechts afgeslagen en heeft daarbij een recht doorgaande fietsster geen vrije doorgang verleend, waardoor verdachte met de bus tegen de fietsster is aangebotst en over de voet van het slachtoffer is gereden. Het slachtoffer heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een verbrijzelde voet. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het naderen van de kruising het verkeer om hem heen heeft geobserveerd en dat hij bij het afslaan in zijn spiegels heeft gekeken, maar dat hij de fietsster niet heeft gezien. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schuld in de zin van artikel 6 WVW</emphasis>
        </para>
        <para>Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.</para>
        <para>De Hoge Raad heeft ook overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Bij die beoordeling zijn meerdere factoren van belang. </para>
        <para>Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.<footnote-ref linkend="_50e49e19-6c3e-426b-a6a9-8865929f1cb3" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is, omdat hij aanmerkelijk onoplettend is geweest.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de Verkeersongevallenanalyse van de politie en de onderzochte camerabeelden die afkomstig zijn uit de stadsbus waarin verdachte reed, is gebleken dat verdachte met de stadsbus het slachtoffer, die op het naastgelegen fietspad fietste, eerst heeft ingehaald op ongeveer 60 meter voor de kruising. Vervolgens verminderde verdachte vaart in verband met het verkeerslicht dat rood licht uitstraalde. Op dat moment straalde het verkeerslicht voor de fietsers groen licht uit. De fietsster is doorgefietst en zij bevond zich vervolgens weer nabij de voorzijde van de bus. Vervolgens werd het verkeerslicht voor de stadsbus groen, heeft verdachte vaart vermeerderd en is op de kruising rechts afgeslagen. Uit de beelden en het zichtonderzoek is gebleken dat de fietsster ten tijde van het inhalen, gedurende het naderen van het kruispunt en ten tijde van het afslaan zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet hierop is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat er niet slechts sprake is geweest van een enkele verkeersfout door een kort moment van onoplettendheid, maar dat verdachte gedurende langere tijd aanmerkelijk onoplettend is geweest. Verdachte heeft het slachtoffer immers niet gezien toen hij haar 60 meter voor de kruising inhaalde, hij heeft haar gedurende het naderen van de kruising niet gezien en hij heeft haar niet gezien toen hij de kruising rechts heeft afgeslagen. Het slachtoffer is dus gedurende langere tijd zichtbaar geweest voor verdachte via de voorruit van de bus, de spiegels en via de glazen toegangsdeur van de bus. </para>
        <para>De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een beroepschauffeur is die ter plaatse zeer bekend was. Hij reed dagelijks de route langs deze kruising en was zich bewust van de verkeerssituatie, waarbij de verkeerslichten voor zowel de rijbaan als het fietspad gelijktijdig groen licht uitstralen. Verdachte wist dat het verkeerslicht voor de fietsers eerder groen werd dan voor de auto’s op de rijbaan. Van hem had daarom extra oplettendheid mogen worden verwacht. Verdachte heeft zich er ten tijde van het naderen van de kruising en bij het af slaan onvoldoende van vergewist of er nog meer fietsers naderden en hij heeft daarbij onvoldoende geanticipeerd op de mogelijkheid daarvan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Gelet op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – beschouwt de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als aanmerkelijk onoplettend en is derhalve van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht bewezen dat verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op 21 mei 2020 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (stadsbus) – in de hoedanigheid van beroepschauffeur –, daarmee rijdende over de Van Baerlestraat, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken in de voet (zogeheten crushletsel, verbrijzelde voet), werd toegebracht, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bestaande dat gedrag hieruit: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte heeft gereden over de Van Baerlestraat, komende uit de richting van de </para>
      <para>Willemsparkweg en gaande in de richting van de Hobbemakade, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte heeft de kruising van de Van Baerlestraat en het Concertgebouwplein genaderd, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte is vervolgens ter hoogte van het Concertgebouwplein rechts afgeslagen, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte heeft zich er niet voldoende van vergewist en is zich er niet voldoende van blijven vergewissen dat de weg/kruising vrij was van enig kruisend verkeer, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte heeft vervolgens de fietsster (voornoemde [slachtoffer] ), die aldaar ter plaatse het fietspad, komende uit de richting van de Willemsparkweg en gaande in de richting van de Hobbemakade, bereed en doende was om die weg/kruising over te steken en die zich naast/rechts dicht achter hem, verdachte, bevond, in strijd met artikel 18 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet voor laten gaan, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte heeft vervolgens niet afgeremd voor voornoemde [slachtoffer] en verdachte is niet uitgeweken voor voornoemde [slachtoffer] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangebotst en over voornoemde [slachtoffer] heengereden, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Het bewijs</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De strafbaarheid van het feit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>9</nr>Motivering van de straffen </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eis van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het strafmaatverweer van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman van verdachte heeft verzocht om bij de strafoplegging bij een veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde feit aansluiting te zoeken bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie en aan verdachte een geldboete van € 1.000,- op te leggen. De in de richtlijnen geïndiceerde rijontzegging van twee maanden zou geheel voorwaardelijk moeten worden opgelegd aan verdachte. Verdachte beschikt al 33 jaar over zijn rijbewijs en heeft nog nooit eerder een verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft een lange periode na het ongeval nog dagelijks langs de ongevalslocatie gereden en is daarbij telkens herinnerd aan het ongeval, hetgeen voor hem als een straf heeft gevoeld. Bovendien is verdachte voor zijn werk en inkomen afhankelijk van zijn rijbewijs. Verdachte leeft erg mee met het slachtoffer en was, en is nog steeds, erg aangeslagen door het ongeval en is daardoor in het verkeer voortaan nog alerter bij voorrangssituaties.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verdachte heeft als beroepschauffeur in een stadsbus een verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft onvoldoende opgelet en heeft daardoor niet gezien dat het slachtoffer het kruispunt naderde en bij groen licht wilde oversteken, waarna verdachte de kruising rechts heeft afgeslagen en het slachtoffer geen vrije doorgang heeft verleend. Verdachte is daardoor tegen de fietsster aangebotst en is vervolgens over de voet van het slachtoffer gereden. De rechtbank rekent dit verdachte aan als aanmerkelijk onoplettend rijgedrag.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten gevolge van het ongeval heeft het slachtoffer een verbrijzelde voet opgelopen. Er waren meerdere botten gebroken en de huid was er af. Het slachtoffer is geopereerd en is, na twee weken in het ziekenhuis te zijn verbleven, nog een maand in een zorghotel verbleven omdat zij moest worden geholpen bij haar verzorging. Zij heeft veel pijn gehad en heeft gedurende een periode niet kunnen lopen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor soortgelijke gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Laatstgenoemde gaan bij overtreding van artikel 6 WVW met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg uit van een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 juli 2021 (het strafblad) van verdachte blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens verkeersdelicten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan, acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, oplegging van een taakstraf niet passend. Wel acht de rechtbank oplegging van een geldboete passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank ook een ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats. Gezien het persoonlijke belang van verdachte in verband met zijn werkzaamheden zal deze echter geheel in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, en 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, <emphasis role="bold">[de verdachte]</emphasis>, daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 1.000,00</emphasis> (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 20 (twintig) dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen</emphasis> voor de tijd van <emphasis role="bold">6 (zes) maanden</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. L. Dolfing, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. R.A. Overbosch en E. Akkermans, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. I. Meulman, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          […]
        </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_50e49e19-6c3e-426b-a6a9-8865929f1cb3" label="1">
    <para> Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004, <emphasis role="italic">LJN</emphasis> AO5822 en van 29 april 2008, <emphasis role="italic">LJN</emphasis> BD0544.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>