<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:8026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-01T09:58:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/701066 / HA RK 194-2021</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:8026">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:8026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-17T11:13:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:8026 Rechtbank Amsterdam , 18-05-2021 / C/13/701066 / HA RK 194-2021</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:8026:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoekers hebben geen gronden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen zou zijn. Een onwelgevallige beslissing in een andere zaak is daartoe in ieder geval onvoldoende. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:8026:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wrakingskamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op het op het op 14 april 2021 ingekomen en onder rekestnummer C/13/701066 / HA RK 149.2021 ingeschreven verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker 1] en [verzoeker 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekers, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.W.J. Ros, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verloop van de procedure</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het wrakingsverzoek van 14 april 2021;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de schriftelijke reactie van de rechter van 5 mei 2021. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Gronden van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de volgende feiten wordt uitgegaan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>Bij de rechtbank is een zaak in behandeling met zaaknummer C/13/9146143 CV 21-5648. De zaak stond op de rolzitting van 13 april 2021 voor antwoord door verzoekers als gedaagde partij. Verzoekers hebben uitstel voor antwoord verkregen. De rechter was de rolrechter. Het betreft een vordering van de verhuurder van de woning van verzoekers.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Op 10 juni 2014 heeft de rechter een vonnis in kort geding gewezen tussen deze partijen met betrekking tot dezelfde woning. Die zaak betrof een andere vordering.  </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verzoek </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoekers hebben aan het verzoek - samengevat – ten grondslag gelegd: “<emphasis role="italic">Rechter A.W.J. Ros heeft gelogen en valsheid in geschrifte gepleegd omdat, zoals door ondergetekenden is aangevoerd, de valse zogenaamde aanschrijvingen voor het adres [adres] , [postcode] [plaats] , die het [stadsdeel] / mr. D.L. van Praag / De Alliantie in het desbetreffende kort geding (van 10-6-2014 – rechtbank) met zaaknummer: KK 14 — 751 hebben aangevoerd, de basis zijn van zijn beslissing. Rechter A.W.J. Ros heeft de mensenrechten van ondergetekenden, die onder andere in artikel 2, artikel 5, artikel 6, en artikel 8 van het EVRM zijn vastgelegd, zwaar geschonden. Deze feiten tonen aan dat rechter A.W.J. Ros ultra partijdig is tegen ondergetekenden in zaken met advocaat D.L. van Praag en De Alliantie en dat hij niet tot een eerlijke, onpartijdige en onafhankelijke beslissing in de procedure met zaaknummer: 9146143/CV21-5648 wil en kan komen.”</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De reactie van de rechter</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De rechter heeft aangevoerd dat tot het wrakingsverzoek de zaak niet bij hem bekend was en dat verzoekers blijkbaar van mening zijn dat hij bevooroordeeld jegens hen is, omdat zijn beslissing in 2014 in hun ogen onjuist was. Het enkele feit dat hij eerder een zaak met verzoekers als gedaagden heeft behandeld, betekent echter niet dat hij bevooroordeeld is en levert dan ook geen wrakingsgrond op.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De gronden van de beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel. Daarnaast geldt dat ook de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid grond kan zijn voor wraking.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad  overwogen dat</para>
        <para>het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Verzoekers hebben geen gronden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de rechter in de onderhavige zaak vooringenomen zou zijn, althans de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan heeft gewekt. Een verzoekers onwelgevallige beslissing in een andere zaak uit het (verre) verleden is daartoe in ieder geval onvoldoende, mede gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogene. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven. </para>
      <para />
      <para>5. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- wijst het verzoek tot wraking af;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter en M.V. Ulrici en P.B. Martens, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>