<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:7242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-13T17:14:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752010-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:7242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:7242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-13T17:13:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:7242 Rechtbank Amsterdam , 23-11-2021 / 13/752010-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:7242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EAB  ter executie - artikel 12 OLW - Poolse rechtstaat - overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:7242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold"> RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752010-21</para>
      <para>RK nummer: 21/5154</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 23 november 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juni 2021 door de<emphasis role="italic"> Circuit Court in Opole</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland</para>
      <para>thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 9 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. </para>
      <para>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">cumulative valid sentence of the District Court in Prudnik of 5th November 2019, file number II K 621/19.</emphasis></para>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar en 2 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 2 maanden en 19 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is en dat hiervan niet kan worden afgezien en dat op deze grond primair de overlevering dient te worden geweigerd en voert hiertoe het volgende aan. </para>
      <para>De opgeëiste persoon verklaart dat hij er niet van op de hoogte was dat hij tijdens het proces zou worden bijgestaan door een advocaat die namens hem het woord zou voeren. Daarnaast komt uit het dossier niet naar voren dat de opgeëiste persoon heeft willen vluchten zodat er geen grond is om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Poolse autoriteiten te verzoeken om de schriftelijke machtiging van de advocaat die het woord namens de opgeëiste persoon heeft gevoerd te verschaffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de uitzondering van artikel 12 onder b OLW zich voordoet. De opgeëiste persoon heeft tijdens het verhoor bij de Nederlandse officier van justitie niets willen verklaren over het EAB. De enkele ontkenning door de opgeëiste persoon ter zitting van de rechtbank dat hij een raadsman heeft gemachtigd om namens hem op te treden, maakt niet dat niet uitgegaan moet worden van de juistheid van de in het EAB verstrekte informatie. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich, gelet op het vorenstaande, verzet tegen het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak om nadere informatie bij de Poolse autoriteiten op te vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank leidt uit de in het EAB verstrekte informatie het volgende af.</para>
      <para>De opgeëiste persoon is niet verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid maar is wel vertegenwoordigd door een advocaat van zijn keuze op de zitting van 15 oktober 2019. Tevens staat in het EAB vermeld dat de advocaat was gemachtigd om namens de opgeëiste persoon de verdediging te voeren en dat deze advocaat namens de opgeëiste persoon zijn verdediging heeft gevoerd. De advocaat is ondanks dat hem de datum van de uitspraak is aangezegd op de zitting van 15 oktober 2021, niet verschenen bij de uitspraak op 5 november 2021. </para>
      <para>Op 18 december 2019 is het vonnis onherroepelijk geworden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de situatie zoals bedoeld in artikel </para>
      <para>12 onder b OLW zich voordoet, aangezien de raadsman aanwezig is geweest op de zitting waarop de <emphasis role="italic">merits of the case </emphasis>zijn behandeld. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor. </para>
      <para>Tevens overweegt de rechtbank dat op basis van het vertrouwensbeginsel uitgegaan moet worden van de juistheid van de in het EAB verstrekte informatie. </para>
      <para>De rechtbank ziet dan ook geen reden om tot aanhouding van de behandeling van de zaak over te gaan om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een in strijd met een in artikel 2, onder c van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in strijd met artikel 3, onder c van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">en </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">wederspannigheid.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Poolse rechtsstaat verweer; artikel 47 Handvest</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman voert aan dat het EAB is uitgevaardigd door een rechter die op de lijst staat van de door de Nationale Raad voor de Rechtspraak (hierna: KRS) benoemde rechters. </para>
      <para>Hierdoor is er een verband tussen de KRS en het EAB. De steeds hardere lijn van de <emphasis role="italic">Prawo i Sprawiedliwość</emphasis>-regering tegenover delicten inzake verdovende middelen maakt dat de overlevering primair dient te worden geweigerd op grond van een reeds voltooide schending van artikel 47 Handvest. Subsidiair verzoekt de raadsman op grond van het voorgaande om de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie (<emphasis role="italic">Hof van Justitie</emphasis>) op de bij de uitspraak van de rechtbank van 14 september 2021<footnote-ref linkend="_ef8ec5c9-d8de-43cf-bfbb-4d0ffdc2d37c" /> gestelde prejudiciële vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat indien een EAB is uitgevaardigd door een KRS-rechter dit niet maakt dat nader onderzoek dient te worden verricht naar de Poolse rechtstaat. De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van het verzoek tot aanhouding aangezien het Poolse vonnis vóór februari 2020 is gewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt op dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen en van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft.</para>
      <para>Het vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Prudnik van 5 november 2019 is </emphasis>van na de omstreden Poolse wetswijzigingen. De rechtbank moet daarom beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon destijds geen eerlijk proces heeft gehad. </para>
      <para>In het kader van die beoordeling is het noodzakelijk dat de opgeëiste persoon feiten en omstandigheden aanvoert die zien op zijn persoonlijke situatie, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd en de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat het EAB door een KRS-rechter zou zijn uitgevaardigd maar dat maakt niet dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces in Polen zou hebben gehad. De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de raadsman. </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de bij uitspraak van 14 september 2021 door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen, nu de datum van het vonnis van <emphasis role="italic">the District Court in Prudnik </emphasis>gelegen is vóór februari 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat overleveringsverzoeken ten behoeve van de executie van vonnissen die voor 14 februari 2020 zijn gewezen, niet worden aangehouden omdat de prejudiciële vragen niet op die zaken van toepassing zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 180 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3 10 en 11 Opiumwet en de artikelen </para>
      <para>2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Opole</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en H.G. van der Wilt,                         		  	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                         	    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 23 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ef8ec5c9-d8de-43cf-bfbb-4d0ffdc2d37c" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:5052</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>