<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:6918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-13T06:57:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/650301-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6918">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-07T13:54:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:6918 Rechtbank Amsterdam , 26-11-2021 / 13/650301-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6918:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontnemingsvordering wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6918:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">VERKORT VONNIS</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/650301-18 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 26 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verstek</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/650301-18, tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>, hierna te noemen veroordeelde,</para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1967,</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 24 januari 2020 en 12 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Onderzoek van de zaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 24 december 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.933.978,34.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2019 voor de volgende strafbare feiten veroordeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">eenvoudig witwassen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op basis van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel op het standpunt gesteld dat het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 1.933.978,34. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend heeft de officier van justitie aangevoerd dat veroordeelde weliswaar is veroordeeld voor de handel in drugs (heroïne) in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juli 2018, maar op basis van getuigenverklaringen die zijn afgelegd in de strafzaak is aannemelijk geworden dat veroordeelde zich in ieder geval al vanaf 1 januari 2002 bezig hield met deze handel. Het wederrechtelijke verkregen voordeel is daarom berekend over de periode 1 januari 2002 tot en met 23 juli 2018. Daarbij is uitgegaan van het aantal transacties dat kon worden afgeleid uit telefoontaps in de periode 16 mei 2018 tot en met 22 mei 2018. Het weekgemiddelde van 191 pakjes is vervolgens geëxtrapoleerd naar de gehele periode.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde met de handel in heroïne voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt tot deze beslissing op grond van de feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis van 31 januari 2019 in de onderliggende strafzaak zijn opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Periode</emphasis>
      </para>
      <para>Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat veroordeelde al langer in heroïne handelde, maar dat het dossier bevat onvoldoende concrete informatie bevat over de periode vóór januari 2016, om over die periode wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen vaststellen. De informatie over onder andere de frequentie van de handel, het aantal gesloten deals en de continuïteit van de handel in  de periode vóór januari 2016 is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van een ontnemingsperiode van 1 januari 2016 tot en met 23 juli 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">opbrengst</emphasis>
      </para>
      <para>Deals per dag 	27</para>
      <para>Verkoopprijs per deal	€ 20,00</para>
      <para>Aantal handelsdagen 2016	366</para>
      <para>Aantal handelsdagen 2017	365</para>
      <para>Aantal handelsdagen 2018	203</para>
      <para>Totale opbrengst 	<emphasis role="bold">€ 504.360,00</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">kosten</emphasis>
      </para>
      <para>Totaal aantal verkochte pakjes	25.218 	(934 dagen x 27 pakjes)</para>
      <para>Hoeveelheid cocaïne per pakje	0,15 gram</para>
      <para>Totale hoeveelheid verkochte heroïne	3,8 kilo	(0,15 gram x 25.218 pakjes)</para>
      <para>Kosten per kilo heroïne	€ 17.000,00</para>
      <para>Totale inkoopkosten heroïne	<emphasis role="bold">€ 64.600,00</emphasis>	(3,8 kilo x € 17.000,-)</para>
      <para>Hoeveelheid versnijdingsmiddel per pakje	0,35 gram</para>
      <para>Totale hoeveelheid versnijdingsmiddel	8,8 kilo 	(0,35 gram x 25.218 pakjes) </para>
      <para>Kosten per kilo versnijdingsmiddel	€ 50,00	</para>
      <para>Totale kosten versnijdingsmiddel	<emphasis role="bold">€ 440,00</emphasis>	(8,8 kilo x € 50,-)</para>
      <para>Kosten verkopers per pakje	€ 4,50</para>
      <para>Totale kosten verkopers	<emphasis role="bold">€ 113.481,00</emphasis> 	(25.218 pakjes x € 4,50)</para>
      <para>Totale kosten 	<emphasis role="bold">€ 178.521,00 </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
      <para>Totale opbrengst	€ 504.360,00</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totale kosten	€ 178.521,00   -</emphasis>
      </para>
      <para>Wederrechtelijk verkregen voordeel	<emphasis role="bold">€ 325.839,00</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De verplichting tot betaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Redelijke termijn</emphasis>
      </para>
      <para>Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in beginsel dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op het moment dat de machtiging tot het leggen van conservatoir beslag is verleend door de rechter-commissaris. Dat was op 20 juli 2018. Dit betekent dat de zaak in principe op 20 juli 2020 afgerond had moeten zijn. De redelijke termijn is dus met  één jaar en vier maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de vertraging rechtvaardigen is niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) volgt dat bij een dergelijke overschrijding het ontnemingsbedrag dient te worden verminderd, waarbij bij een overschrijding van zes tot twaalf maanden een vermindering van in beginsel tien procent van het ontnemingsbedrag wordt voorgeschreven. Voor langere overschrijdingen heeft de Hoge Raad geen richtsnoer gegeven, met dien verstande dat de maximale vermindering in beginsel € 5.000 bedraagt. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om een hogere korting toe te passen dan die € 5.000 en zal dus € 5.000 aftrekken vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 325.839,00 minus € 5.000,00 = € 320.839,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van  € 320.839,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan <emphasis role="bold">[veroordeelde]</emphasis> de verplichting tot betaling van € 320.839,00 (driehonderdtwintigduizend achthonderdnegendertig euro) aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 dagen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. E.G.C. Groenendaal,	voorzitter,</para>
      <para>mrs. S. Djebali en J.M.R. Vastenburg,	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans,	griffier</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 november 2021].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>