<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:6776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-22T11:39:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/706864-11</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-22T10:55:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:6776 Rechtbank Amsterdam , 18-11-2021 / 13/706864-11</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>uitspraak van 18 november 2021, zoals gewijzigd bij herstelbeslissing van 9 december 2021. EAB, executie Polen, gelijkstelling met een Nederlander, weigering 6a OLW en overname straffen, Artikel 9 OLW niet van toepassing, afzien weigeringsgrond dubbele strafbaarheid in kader resocialisatie,</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/706864-11 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 21/5111</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 november 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 september 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 21 februari 2011 door <emphasis role="italic">the Circuit Court of Zielona Góra</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1963, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para> In het EAB wordt melding gemaakt van zes voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa </emphasis> van 31 mei 2004, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 17 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer: II K 60/04 (hierna:<emphasis role="bold"> vonnis I</emphasis>);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa</emphasis> van 28 april 2004, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 17 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer II K 384/04 <emphasis role="bold">(</emphasis>hierna:<emphasis role="bold"> vonnis II</emphasis>).</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa </emphasis> van 9 november 2004, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 18 juli 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer: II K 447/04 (hierna:<emphasis role="bold"> vonnis III</emphasis>);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa</emphasis> van 9 september 2004, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 17 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer II K 418/04 <emphasis role="bold">(</emphasis>hierna:<emphasis role="bold"> vonnis IV</emphasis>).</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa</emphasis> van 27 oktober 2005, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 17 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer II K 7/04 <emphasis role="bold">(</emphasis>hierna:<emphasis role="bold"> vonnis V</emphasis>).</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court of Wschowa</emphasis> van 27 juli 2006, en een beslissing van dezelfde rechtbank van 24 mei 2007 tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, referentienummer II K 240/04 <emphasis role="bold">(</emphasis>hierna:<emphasis role="bold"> vonnis VI</emphasis>).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van vonnis I wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.</para>
      <para>Ten aanzien van vonnis II wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.  </para>
      <para>Ten aanzien van vonnis III wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 juli 2021, nog één jaar, drie maanden en drie dagen. </para>
      <para>Ten aanzien van vonnis IV wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
      <para>Ten aanzien van vonnis V wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
      <para>Ten aanzien van vonnis VI wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 juli 2021, is vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen hebben geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten, vermeld in de vonnissen I en IV, waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit die strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar is gesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten ten aanzien van vonnis II, III, V en VI niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feiten die ten grondslag liggen aan vonnis II:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de feiten waarop vonnis II ziet is voldaan aan deze eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1) diefstal;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2) opzetheling.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feiten die ten grondslag liggen aan vonnis III:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de feiten waarop vonnis III ziet is voldaan aan deze eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 1) diefstal;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 2) verduistering;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 3) handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">feit 4) een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feit dat ten grondslag ligt aan vonnis V:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het feit waarop vonnis V ziet is voldaan aan deze eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Feit dat ten grondslag ligt aan vonnis VI:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunten ter zitting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering ten aanzien van vonnis VI moet worden geweigerd op grond van artikel 7 OLW. Indien de rechtbank overweegt om af te zien van haar bevoegdheid te weigeren op grond van artikel 7, heeft de raadsman verzocht dit artikel te lezen in samenhang met artikel 6a OLW en bij haar afweging het resocialisatie-belang te betrekken, en deze artikelen kaderbesluitconform uit te leggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van vonnis VI dient te worden geweigerd en dat Nederland de straf niet overneemt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt, met de raadsman en de officier van justitie, vast dat niet is voldaan aan deze eisen ten aanzien van het feit waarop vonnis VI ziet, omdat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is. De Nederlandse wet kent geen strafbaarstelling voor het - blijkens de aanvullende informatie: niet onder ede - afleggen van een valse verklaring in het vooronderzoek van een strafzaak tegen iemand anders. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of er argumenten zijn om af te zien van weigering van de overlevering voor dit feit vanwege het ontbreken van de dubbele strafbaarheid. Deze beoordeling zal de rechtbank hierna onder 7 uitvoeren, in het kader van de toepassing van de weigeringsgrond ex artikel 6a OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Gelijkstelling met een Nederlander</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunten ter zitting </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden voor gelijksteling van de opgeëiste persoon met een Nederlander zoals gesteld in artikel 6a, negende lid, OLW en dat de overlevering dient te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat is voldaan aan voornoemde voorwaarden voor gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, en de overlevering dient te worden geweigerd. Hoewel de opgeëiste persoon sinds 2017 niet meer economisch actief is, heeft zijn partner met wie hij aantoonbaar een duurzame relatie heeft voldoende middelen van bestaan. De officier van justitie verwijst in dit verband naar een vergelijkbare zaak waarin de rechtbank Amsterdam op 12 december 2019 uitspraak heeft gedaan.<footnote-ref linkend="_f065cb5a-b4e4-4d16-a824-fc4a346bb57b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:</para>
      <para>1. de opgeëiste persoon toont aan dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;</para>
      <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel (in geval van vervolgingsoverlevering) dan wel ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel (in geval van executie-overlevering).</para>
      <para>In het kader van de eerste voorwaarde gaat het voor EU-burgers materieel om de vereisten voor het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de opgeëiste persoon op basis van de door hem overgelegde objectieve financiële gegevens over de periode van 2008 tot en met 2020, heeft aangetoond dat hij in die periode ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. </para>
      <para>Wat betreft de tweede voorwaarde blijkt uit de brief van de Immigratie-en Naturalisatiedienst (IND) van 18 oktober 2021 dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland niet zal verliezen. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Op de gevolgen die hieraan verbonden moeten worden komt de rechtbank – voor zover noodzakelijk - in het navolgende terug.</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">6.  Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, onder 1 en sub f, OLW; verjaring</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerlegging van de straf voor de feiten 2, 3 en 4 ten aanzien van vonnis III niet meer mogelijk is omdat de mogelijkheid daartoe is verjaard. Het gaat om feiten waar een tenuitvoerleggingstermijn van acht jaar geldt nu op de feiten een strafmaximum van drie jaar of minder is gesteld. De overlevering dient ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 van vonnis III te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat tenuitvoerlegging van de straf voor de feiten 3 en 4 ten aanzien van vonnis III mogelijk is, omdat de feiten niet zijn verjaard. Gelet op de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht geldt ex artikel 70 lid 1, onder twee Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en artikel 6:1:22 Wetboek van Stafvordering (hierna: Sv) een verjaringstermijn van acht jaar voor de feiten 3 en 4. </para>
      <para>De straf was voor tenuitvoerlegging vatbaar op 18 juli 2007, maar de opgeëiste persoon is toentertijd naar Nederland gevlucht, terwijl hij wist dat hij de straf moest uitzitten. Op grond van artikel 6:1:23 lid 3 Sv is om die reden sprake van ongeoorloofde afwezigheid nu de opgeëiste persoon naar Nederland is gegaan. Hierdoor liep de verjaringstermijn niet en is derhalve nog geen sprake van verjaring van de feiten naar Nederlands recht waardoor Nederland de straf ten aanzien van vonnis III kan overnemen.  <?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon, in een geval als het onderhavige waarin overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een straf, worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben. Daarnaast moet de rechtbank bij de beoordeling van een EAB dat strekt tot de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk aan een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling opgelegde vrijheidsstraf op grond van artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW – onder meer – nagaan of de facultatieve grond als bedoeld in artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging voorwaardelijke en vrijheidsbenemende sancties (WETS) zich voordoet. Ingevolge deze laatste bepaling kan de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geweigerd worden indien over het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend en het recht tot uitvoering van de vrijheidsbenemende sanctie naar Nederlands recht zou zijn verjaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de gelijkstelling is overwogen. De rechtbank stelt vast dat het vonnis dateert van 9 november 2004 en voor tenuitvoerlegging vatbaar was op 18 juli 2007.</para>
      <para>
        <?linebreak?>In geval van overlevering ter tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die is opgelegd voor meer dan één strafbaar feit moet bij de vaststelling van de tenuitvoerleggingstermijn worden uitgegaan van de zwaarste toepasselijke maximumstraf.<footnote-ref linkend="_ca6cc636-0a01-45ee-b85a-b5121e192af5" /> In dit geval is dat de maximumstraf die op feit 1 is gesteld, te weten een maximumstraf voor de duur van vier jaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6:1:22 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Aangezien die (laatste) termijn twaalf jaren beslaat (artikel 70, eerste lid, onder 3 Sr), bedraagt de tenuitvoerleggingstermijn voor de vrijheidsstraf die is opgelegd voor de feiten (1,) 2, 3 en 4 zestien jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze tenuitvoerleggingstermijn is aangevangen op 18 juli 2007 en is dus nog niet verstreken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop komt de rechtbank tot de conclusie dat het recht tot uitvoering van de straffen die aan de opgeëiste persoon in vonnis III is opgelegd ten aanzien van de feiten (1,) 2, 3 en 4 niet is verjaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW staat daarom niet in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon voor vonnis III ten aanzien van de vrijheidsstraf die is opgelegd voor de feiten (1,) 2, 3 en 4. Uit het voorgaande volgt dat artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid aanhef en onder g, WETS geen beletsel vormt voor de overname van de tenuitvoerlegging van die straf.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Gevolgen van de gelijkstelling met Nederlander ex artikel 6a OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bovengenoemde kan geconcludeerd worden dat de opgeëiste persoon moet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering in dat geval worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen</para>
      <para>opgelegde vrijheidsstraffen van vonnis I, vonnis II, vonnis III, vonnis IV, vonnis V en vonnis VI kunnen worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. De rechtbank stelt vast dat het feit uit vonnis VI naar Nederlands recht niet strafbaar is. Zij ziet echter aanleiding om, ondanks het ontbreken van dubbele strafbaarheid, de weigeringsgrond van artikel 7, eerste lid, OLW niet toe te passen ten aanzien van het feit waarvoor bij vonnis VI een vrijheidsstraf is opgelegd en om ook de tenuitvoerlegging van die straf over te nemen. De rechtbank overweegt dat het in het belang van de opgeëiste persoon is om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden, nu vastgesteld is dat hij duurzaam verblijf heeft in Nederland. Een weigering van de overlevering voor vonnis VI op grond van artikel 7, eerste lid, OLW betekent immers niet dat de opgeëiste persoon de bij dat vonnis opgelegde straf niet meer zou hoeven te ondergaan. Zolang die vrijheidsstraf naar het recht van Polen voor tenuitvoerlegging vatbaar is, zou bij weigering van de overlevering op grond van artikel 7, eerste lid, OLW de opgeëiste persoon, wanneer hij gebruik maakt van zijn vrije verkeersrechten, rekening moeten houden met de mogelijkheid van overlevering ter tenuitvoerlegging van die straf vanuit een andere lidstaat. Een dergelijke overlevering en de daarop volgende tenuitvoerlegging in Polen zouden de met de tenuitvoerlegging in Nederland nagestreefde sociale re-integratie kunnen doorkruisen. Het oordeel dat het ontbreken van dubbele strafbaarheid in dit geval in de weg zou moeten staan aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en dus – gelet op artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, WETS - aan de tenuitvoerlegging van die straf in Nederland, zou de nagestreefde sociale re-integratie evenzeer kunnen doorkruisen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten die ten grondslag liggen aan de vonnissen II, III, IV en V zijn naar Nederlands recht strafbaar, zoals hiervoor onder 4.2 is overwogen. Ook de feiten die ten grondslag liggen aan de vonnissen 1 en IV zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit dat ten grondslag ligt aan vonnis I:</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">valsheid in geschrifte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feit dat ten grondslag liggen aan vonnis IV:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">valsheid in geschrifte</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a van toepassing zijn, dient de overlevering te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, de artikelen 45, 47, 157, 225, 284 310, 321 en 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court of Zielona Góra</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de overleveringsdetentie van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] .</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon] </emphasis>tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.J.R.M. Vermolen en M.E.M. James-Pater,   			   	  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters,		                                         griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 18 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f065cb5a-b4e4-4d16-a824-fc4a346bb57b" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2019:9907.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca6cc636-0a01-45ee-b85a-b5121e192af5" label="2">
    <para> Vergelijk ECLI:NL:RBAMS:2021:1111 (nog niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>