<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:6353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-09T15:14:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751024-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6353">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6353</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-09T15:00:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:6353 Rechtbank Amsterdam , 02-11-2021 / 13/751024-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6353:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Verenigd Koninkrijk strekkende tot vervolging - terugkeergarantie - Verenigd Koninkrijk heeft regeling lijstfeiten tot op heden niet erkend - toetsingskader detentieomstandigheden na Brexit</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6353:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751024-21</para>
      <para>RK nummer: 21/4716</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 2 november 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 22 december 2020 door <emphasis role="italic">the District Judge sitting at Westminister Magistrates’ Court</emphasis> (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteland] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1983</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP-adres]
      </para>
      <para>	gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 oktober 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.  <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse  nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Toetsingskader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 632 van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (hierna: Overleveringsovereenkomst of HSO) is titel VII van deze Overeenkomst van toepassing op Europese aanhoudingsbevelen die overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ vóór het eind van de overgangsperiode - als bedoeld in het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie - door een staat zijn uitgevaardigd, indien de gezochte persoon niet voor het eind van de overgangsperiode met het oog op de tenuitvoerlegging ervan is aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier blijkt dat het EAB op 22 december 2020 is uitgevaardigd en dat de opgeëiste persoon op 24 augustus 2021, na het eind van de overgangsperiode op 31 december 2020, is aangehouden ingevolge dit EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat dit overleveringsverzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de Overleveringsovereenkomst en de Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU - VK Justitie en Veiligheid (<emphasis role="italic">hierna: de Uitvoeringswet</emphasis>). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om die reden zal het EAB hierna als ‘aanhoudingsbevel’ (AB) worden aangeduid.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Grondslag en inhoud van het AB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het AB wordt melding gemaakt van <emphasis role="italic">een Warrant of arrest in first instance dated 15 December 2020 issued at Westminster Magistrates Court for offences of murder and false imprisonment</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld in artikel 599, vijfde lid, Overleveringsovereenkomst</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangeduid als feiten vermeld in artikel 599, vijfde lid, Overleveringsovereenkomst (de lijstfeiten), te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	14. Moord en doodslag, zware mishandeling.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	16. Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 599 vierde lid, van de Overleveringsovereenkomst geldt dat, op basis van wederkerigheid, voor lijstfeiten de toetsing van de dubbele strafbaarheid van artikel 599, tweede lid, Overleveringsovereenkomst, niet van toepassing is indien het Gespecialiseerd Comité voor samenwerking inzake rechtshandhaving en justitie daarvan in kennis is gesteld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit een e-mail van 18 oktober 2021 van Eurojust blijkt het volgende over de kennisgeving in de zin van artikel 599, vierde lid jo. artikel 690, tweede lid Overleveringsovereenkomst het volgende:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Under the Trade and Cooperation Agreement (TCA) it was open to the UK or EUMS to make a notification to the effect that it does not require dual criminality in respect of offences fitting within one or more of the categories contained within the list in section e) of the TCA warrant. </emphasis><emphasis role="underline italic">The UK has chosen not to provide this notification, therefore under the basis of reciprocity the executing authority must be satisfied that dual criminality applies</emphasis><emphasis role="underline">.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank gaat uit van de juistheid van de mededeling van Eurojust en stelt dan ook vast dat het Verenigd Koninkrijk de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de Overleveringsovereenkomst niet heeft gedaan. Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, Overleveringsovereenkomst kan dus niet achterwege blijven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Overlevering kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden toegestaan, indien wordt voldaan aan de toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, Overleveringsovereenkomst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Medeplegen van moord</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	en</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	medeplegen van wederrechtelijk vrijheidsbeneming.  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">6.  	De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6, eerste lid, OLW </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 5 Uitvoeringswet jo. artikel 6 OLW en op de kennisgeving die Nederland op grond van artikel 603, tweede lid, Overleveringsovereenkomst heeft gedaan, kan zijn overlevering daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Secretary of State heeft op 4 oktober 2021 door tussenkomst van de UK Central Authority de volgende garantie gegeven:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">“UNDERTAKING REGARDING SURRENDER OF [opgeëiste persoon]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic"> TO THE NETHERLANDS</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In accordance with the procedure under Article 604(b) of Title VII (Surrender) of the UK-EU Trade and Co-operation Agreement between the European Union and the United Kingdom you have requested that [opgeëiste persoon] (DoB: [geboortedag] 1983) be returned to The Netherlands to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from The Netherlands has been sought.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK, he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to The Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed, unless concrete grounds relating to his rights of defence or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the European Arrest Warrant. Such procedural steps may include:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>a) <emphasis role="italic">The exhaustion of any available avenues of appeal;</emphasis></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>b) <emphasis role="italic">Consideration of confiscation; and;</emphasis></para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>c) <emphasis role="italic">The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be served in default of payment of any financial penalty.</emphasis></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Please note that the return of [opgeëiste persoon] to The Netherlands will be facilitated under the Additional Protocol to the 1983 Council of Europe Convention on the</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">    of Sentenced Persons.” Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon]</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">  will be provided when he is returned to The Netherlands.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan deze voorwaarde is, gezien hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot overlevering dient te worden geweigerd in het licht van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De juridische autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben bij brief van 4 oktober 2021 kenbaar gemaakt dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk zal worden gedetineerd in [P.I.] . Uit het door de verdediging overgelegde <emphasis role="italic">Annual Reportl</emphasis><footnote-ref linkend="_434fd87b-c0a9-4f11-b169-3701e8888c5c" /> van september 2020 en de reactie op het rapport bij brief van 9 november 2020 van het Ministry of Justice blijkt dat de overbevolking in [P.I.] dermate is toegenomen dat het gevaar dreigt dat de persoonlijke ruimte van de cel waarin de opgeëiste persoon na zijn overlevering terecht zal komen minder dan drie vierkante persoonlijke ruimte omvat. Daarom dient het verzoek tot overlevering te worden geweigerd aangezien na overlevering van de opgeëiste persoon een flagrante schending dreigt van artikel 4 Handvest.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie stelt dat nu het Verenigd Koninkrijk niet langer lid is van de Europese Unie, het Verenigd Koninkrijk niet langer onder de jurisdictie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof EU) valt en de door het Hof ontwikkelde rechtspraak niet meer van toepassing is.</para>
      <para>Het beoordelingskader van de uitspraak van het Hof EU in de zaak <emphasis role="italic">Aranyosi en Căldăraru</emphasis><footnote-ref linkend="_c44fc2fd-6370-4f63-9b34-98f307ffeae0" /> is daarom niet meer van toepassing. De rechtbank dient het beoordelingskader zoals geformuleerd in de uitspraak in de zaak <emphasis role="italic">Muršić vs Croatia</emphasis><footnote-ref linkend="_40822d42-230b-4db3-b63b-6d1920354e35" />van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) toe te passen nu het Verenigd Koninkrijk nog steeds partij is bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM).  </para>
      <para>Dat betekent dat bij de beoordeling van de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk moet worden beoordeeld of in het individuele geval na de overlevering van de opgeëiste persoon een schending van artikel 3 EVRM dreigt. Uit het genoemde <emphasis role="italic">Annual Report</emphasis> blijkt niet wat het aantal vierkante meters celruimte per gedetineerde is maar uit het rapport kan worden opgemaakt dat aan de standaard is voldaan. Hoewel er zorgen bestaan omtrent de detentiesituatie zijn er geen aanwijzingen van een schending van artikel 3 van het EVRM na overlevering. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader detentieomstandigheden Verenigd Koninkrijk</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag die voorligt is welk toetsingskader dient te worden gehanteerd bij de beoordeling van de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat Nederland lid is van de Europese Unie. De rechtbank is verder van oordeel dat, nu de Overleveringsovereenkomst is gesloten door de Europese Unie, deze overeenkomst daardoor is aan te merken als Unierecht. Door te beslissen op een door het Verenigd Koninkrijk uitgevaardigd AB op basis van de Overleveringsovereenkomst past de rechtbank het Unierecht toe. Daarmee is de rechtbank gebonden aan het Unierecht, inclusief het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en aan de uitleg die het Hof van Justitie daaraan geeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 4 Handvest luidt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 604 HSO luidt, voor zover hier van belang:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">“Garanties van de uitvaardigende staat in bijzondere gevallen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan afhankelijk worden gesteld van een van de volgende garanties:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(...) </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c) indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat er een reëel risico bestaat voor de bescherming van de grondrechten van de gezochte persoon, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens te beslissen of zij het aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, indien nodig, om aanvullende garanties verzoeken met betrekking tot de behandeling van de gezochte persoon na zijn overlevering”.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst </para>
      <para>EU - VK Justitie en Veiligheid volgt dat artikel 11 van de OLW niet van overeenkomstige toepassing is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het licht van het voorgaande rijst de vraag in hoeverre de uitleg die het Hof geeft aan het Handvest en het Kaderbesluit 2002/584/JBZ ook geldt voor de toepassing van de Overleveringsovereenkomst. Meer specifiek is aan de orde de vraag of, in het kader van overlevering aan een derde land als het Verenigd Koninkrijk, de in het arrest <emphasis role="italic">Aranyosi en Căldăraru </emphasis>voorgeschreven twee-stappen toets voor de beoordeling van de detentieomstandigheden in een lidstaat van overeenkomstige toepassing is. Die rechtspraak is gebaseerd op het vertrouwen tussen de lidstaten van de EU dat zij het EU-recht naleven en in het bijzonder de (EU-) fundamentele rechten eerbiedigen en de door dat recht erkende grondrechten in acht neemt. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een dergelijk vertrouwen in beginsel niet verondersteld mag worden in de verhouding tot derde landen,<footnote-ref linkend="_b517d987-2536-4cc0-abfb-65f7a9daafda" /> zij het dat het Hof van Justitie in dit verband onderscheid maakt tussen derde landen waarmee de Europese Unie bevoorrechte betrekking onderhoudt en andere derde landen.<footnote-ref linkend="_c7299525-18bf-4dce-b9c9-41aeb3284969" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan het antwoord op de vraag of de genoemde twee-stappen toets (ten volle) van toepassing is bij de beoordeling van de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk bij het nemen van een beslissing op basis van de Overleveringsovereenkomst in het midden laten. Zij is van oordeel dat zowel bij toepassing van deze toets als bij een beoordeling op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de conclusie is dat niet gebleken is dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt van een onmenselijke behandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling detentieomstandigheden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De HM Prison and Probation Service heeft bij brief van 5 oktober 2021 meegedeeld dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in [P.I.] aangezien hij in de regio van Londen zal worden berecht. Gelet hierop, dient de rechtbank in de onderhavige zaak alleen de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting [P.I.] te onderzoeken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank concludeert dat, gelet op <emphasis role="italic">Annual Report </emphasis>van september 2020 en de brief van </para>
      <para>9 november 2020 van <emphasis role="italic">the Ministry of Justice,</emphasis> er geen sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in de penitentiaire inrichting [P.I.] zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er onvoldoende basis is om een algemeen gevaar op schending van artikel 4 Handvest aan te nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat er geen ruimte is om de tweede stap te zetten en er dus geen ruimte is voor een beoordeling van het individuele risico.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie bij toepassing van de twee-stappen toets is dan ook dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook een beoordeling van het risico dat de opgeëiste persoon loopt op een onmenselijke behandeling op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens<footnote-ref linkend="_d6cf4530-18c7-4c92-8545-350580827b77" /> leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een reëel risico loopt op een onmenselijke behandeling. Het <emphasis role="italic">Annual Report van </emphasis>september 2020 en de brief van 9 november 2020 van <emphasis role="italic">the Ministry of Justice</emphasis> bevatten onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de opgeëiste persoon zo’n risico loopt.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en zal de overlevering toestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Garantie ex artikel 604, aanhef en onder a, HSO.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, kan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB onder h) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover de volgende garantie opgenomen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Review possible: The legal system of the issuing Member State allows for a review of the penalty or measure imposed -  on request or at least after 20 years -  aiming at a non-execution of such penalty or measure,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">and</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Clemency possible: The legal system of the issuing Member State allows for the application of </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">measures of clemency to which the person is entitled under the law or practice of the issuing </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Member State, aiming at non execution of such penalty or measure.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Where  a life sentence  (whether  mandatory or discretionary) is imposed  the sentencing judge </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">determines what part of the sentence must be served in prison before the offender may be considered for release on licence: That period is referred to as the minimum term.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Every person sentenced on indictment has the right to ask for a review of that minimum term by the Court of Appeal.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The offender bas to serve the appropriate minimum term that reflects the punitive element of the sentence. Once this punitive term of imprisonment bas expired the offender enters into the risk element of the sentence. He may only be detained if he continues to present a risk to the public.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">An independent Parole Board conducts a review of the prisoner's sentence once the punitive element of the sentence bas expired. A judge chairs this panel. An oral hearing can take place to determine whether the prisoner's detention should continue. The Parole Board must decide whether it is necessary for the protection of the public for the prisoner’s detention to continue. At this hearing the prisoner has the right to be present. to be legally represented and to call and question witnesses. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Parole Board can direct the release of the prisoner. If it decides that the prisoner should not be released then a further hearing will take place within 2 years to review the prisoner's detention and at regular intervals thereafter.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">All life sentence prisoners are released under a licence that remains in force for the rest of their lives. The life licence can be revoked at any time if necessary on public protection grounds.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In every case, including cases where a whole life term or a minimum term exceeding twenty years has been imposed, the prisoner may apply for exceptional or compassionate release .under section 30 of the Crime (Sentences) Act 19CJ7 and/or for release under the powers of the Royal Prerogative of Mercy."</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat de rechtsorde van het Verenigd Koninkrijk voorziet in de herziening van de opgelegde straf of maatregel - op verzoek of tenminste na twintig jaar - strekkende tot niet-uitvoering van de straf of maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 Overleveringsovereenkomst en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, alsmede garanties zijn verstrekt op grond van artikel 604, aanhef en onder a Overleveringsovereenkomst, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 282 en 289 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 3 en 5 Uitvoeringswet en de artikelen 603, 604 en 606 Overleveringsovereenkomst.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Judge sitting at Westminister Magistrates’ Court</emphasis> (Verenigd Koninkrijk).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en C. Klomp,             	            			                            rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 2 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_434fd87b-c0a9-4f11-b169-3701e8888c5c" label="1">
    <para> ‘<emphasis role="italic">Annual Report of the Independent Monitoring Board at [P.I.] , reporting year 1 June 2019 to </emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">31 mei 2020.. </emphasis>
    </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c44fc2fd-6370-4f63-9b34-98f307ffeae0" label="2">
    <para>
      <emphasis role="italic"> Uitspraak van het Hof EU van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198</emphasis>
    </para>
  </footnote>
  <footnote id="_40822d42-230b-4db3-b63b-6d1920354e35" label="3">
    <para>
      <emphasis role="italic">Muršić vs Croatia </emphasis>EHRM 20 oktober 2017, 7334/13, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b517d987-2536-4cc0-abfb-65f7a9daafda" label="4">
    <para> HvJ EU 29 april 2021, C-665/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:339 (<emphasis role="italic">X (Europees aanhoudingsbevel – Ne bis in idem)</emphasis>), punt 55.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7299525-18bf-4dce-b9c9-41aeb3284969" label="5">
    <para> Zie bijv. HvJ EU 17 maart 2021, C-488/19, ECLI:EU:C:2021:2016 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Aanhoudingsbevel – Veroordeling door een EER-land)</emphasis>), punt 60.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6cf4530-18c7-4c92-8545-350580827b77" label="6">
    <para>
      <emphasis role="italic">Muršić vs Croatia </emphasis>EHRM 20 oktober 2017, 7334/13, ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>