<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:6284</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-04T10:38:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">RK: 21/5495 (26Mandel)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6284">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:6284</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-03T17:07:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:6284 Rechtbank Amsterdam , 04-11-2021 / RK: 21/5495 (26Mandel)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6284:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Klaagschrift inbeslagname gegevensdrager advocaat ongegrond. De politie mocht gegevensdragers van klager, zijnde advocaat, in beslag nemen. Er waren zeer uitzonderlijke omstandigheden aanwezig om inbreuk te maken op het verschoningsrecht van de advocaat. </para>
        <para>De rechtbank heeft een klaagschrift van de advocaat tegen de beslissing van de rechter-commissaris hierover ongegrond verklaard.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:6284:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2d050692-27bc-4488-8e43-fc54654277d1" depth="16" width="552" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beschikking</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>RK: 21/5495 (26Mandel)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op het klaagschrift ex artikel 98, vierde lid jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>domicilie kiezende op het adres van zijn raadsman mr. Y. Bouchikhi: <?linebreak?>[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>klager.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als raadsman van klager is ter zitting aanwezig mr. H. Raza. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Feiten<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Klager is verdachte in het onderzoek ‘26Mandel’ en wordt ervan verdacht in het <?linebreak?> 	kader van de uitoefening van zijn beroep ernstige strafbare feiten te hebben <?linebreak?> 	gepleegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 7 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris de volgende vorderingen van het <?linebreak?> 	Openbaar Ministerie ontvangen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para> 		- een vordering tot doorzoeking van het kantoorpand van klager;<?linebreak?> 		- een vordering tot doorzoeking van de woning van klager; en<?linebreak?> 		- een vordering om de cel en verblijfsruimten van medeverdachte [medeverdachte] <?linebreak?> 		  te doorzoeken.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De rechter-commissaris heeft eveneens een proces-verbaal aanvraag doorzoekingen <?linebreak?> 	van deze plaatsen ontvangen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <parablock>
        <para>Voorts heeft de rechter-commissaris op 7 oktober 2021 de volgende aanvullende <?linebreak?> 	vorderingen ontvangen: </para>
        <para>- een aanvullende vordering met betrekking tot de doorzoeking van het   <?linebreak?>  kantoorpand van klager;</para>
        <para>- een aanvullende vordering met betrekking tot de geheimhoudersstukken<?linebreak?> 	  die buiten het kantoor van klager in beslag worden genomen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>In de laatstgenoemde vorderingen heeft de officier van justitie gevorderd het <?linebreak?> 	beslagregime “zeer uitzonderlijke omstandigheden” van toepassing te verklaren <?linebreak?> 	tijdens de doorzoekingen op bovenvermelde plaatsen en op overige, op andere <?linebreak?> 	plaatsen in beslag te nemen documenten en/of bestanden op gegevensdragers van <?linebreak?> 	klager. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat door de rechter-commissaris <?linebreak?> 	wordt bepaald dat het opsporingsbelang vergt dat met spoed kennis wordt genomen <?linebreak?> 	van de inhoud van de bestanden op de onder klager in beslag genomen iPad. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>De rechter-commissaris heeft, gelet op de verdenking en de betrokkenen in het <?linebreak?> 	onderzoek 26Mandel, inwinning van het standpunt van de deken van de Orde van <?linebreak?> 	Advocaten achterwege gelaten.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>Op 7 oktober 2021 heeft de rechter-commissaris beslist dat het beslagregime “zeer <?linebreak?> 	uitzonderlijke omstandigheden” van toepassing is. De rechter-commissaris heeft <?linebreak?> 	eveneens beslist dat het opsporingsbelang vergt dat met spoed kennis wordt <?linebreak?> 	genomen van de bestanden op de iPad van klager. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Op 11 oktober 2021 heeft de officier van justitie per e-mail gevorderd te beslissen <?linebreak?> 	dat het opsporingsbelang ook ten aanzien van de in de Extra Beveiligde Inrichting in <?linebreak?> 	beslag genomen notitieblokken vergt dat met spoed kennis wordt genomen van de <?linebreak?> 	inhoud daarvan. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>De rechter-commissaris heeft op 11 oktober 2021 beslist dat met spoed kennis 	mag worden genomen van de inhoud van de in beslag genomen notitieblokken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesgang </title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Tegen voornoemde beslissingen van de rechter-commissaris van 7 oktober 2021 en <?linebreak?> 	11 oktober 2021 heeft klager op 13 oktober 2021 een klaagschrift ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 20 oktober 2021 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk <?linebreak?> 	kenbaar gemaakt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 21 oktober 2021 heeft de rechtbank Amsterdam klager, de raadsman en het <?linebreak?> 	Openbaar Ministerie in openbare raadkamer achter gesloten deuren gehoord. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van de raadsman <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De raadsman heeft gesteld dat er stukken ontbreken waaruit een redelijk vermoeden <?linebreak?> 	van schuld aan een strafbaar feit kan rijzen. Verder geldt dat het enkele feit dat <?linebreak?> 	klager ervan wordt verdacht in het kader van de uitoefening van zijn beroep ernstige <?linebreak?> 	strafbare feiten te hebben gepleegd, niet toereikend is om diens verschoningsrecht te <?linebreak?> 	doorbreken. Klager heeft naast [medeverdachte] meerdere cliënten. Informatie op de in <?linebreak?> 	beslag genomen goederen ziet daarom niet uitsluitend op [medeverdachte] . Uit de stukken <?linebreak?> 	blijkt daarnaast niet dat zich relevante informatie op de in beslag genomen goederen <?linebreak?> 	zou kunnen bevinden. Van zeer	uitzonderlijke omstandigheden is geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De raadsman heeft dit standpunt in raadkamer nader toegelicht. De raadsman heeft <?linebreak?> 	zich primair op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond moet worden <?linebreak?> 	verklaard, wegens het ontbreken van de onderliggende vorderingen. Immers kan <?linebreak?> 	daardoor de rechtmatigheid van het beslag en het voortduren daarvan niet worden <?linebreak?> 	getoetst. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er een <?linebreak?> 	modus moet worden gevonden voor overleg met het Openbaar Ministerie. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Klager heeft in raadkamer zelf toegelicht dat hij codes en wachtwoorden van de 		in beslag genomen gegevensdragers wil verstrekken aan het Openbaar Ministerie <?linebreak?> 	zodat de in beslag genomen goederen zo snel mogelijk aan zijn waarneemster <?linebreak?> 	kunnen worden verstrekt. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van het Openbaar Ministerie </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de ernstige bezwaren, <?linebreak?> 	op het standpunt gesteld dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. De <?linebreak?> 	inhoud van de informatie die gedeeld wordt door klager en [medeverdachte] zijn <?linebreak?> 	ontluisterend. De conclusie kan niet anders zijn dan dat de criminele activiteiten van <?linebreak?> 	 vanuit de Extra Beveiligde Inrichting op deze manier, door het handelen <?linebreak?> 	van klager, kon en ook werden voortgezet. Er is daarom sprake van zeer <?linebreak?> 	uitzonderlijke omstandigheden.	Immers wordt klager, zijnde advocaat, van een <?linebreak?> 	ernstig strafbaar feit verdacht. Hij maakt daarbij deel uit van een crimineel <?linebreak?> 	samenwerkingsverband met zijn cliënt [medeverdachte] , terwijl	klager misbruik maakt van <?linebreak?> 	zijn bijzondere positie als advocaat. Het klaagschrift dient ongegrond te worden <?linebreak?> 	verklaard.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Voorts heeft de officier van justitie in raadkamer toegelicht dat de rechter-<?linebreak?> 	commissaris een afweging maakt over het al dan niet verstrekken van de <?linebreak?> 	onderliggende vorderingen.  <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toetsingskader<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Uit regelgeving en jurisprudentie kan het volgende juridische toetsingskader worden <?linebreak?> 	afgeleid. Ingevolge artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot <?linebreak?> 	verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of <?linebreak?> 	andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in <?linebreak?> 	beslag worden genomen. Het is eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de <?linebreak?> 	doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met <?linebreak?> 	betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de <?linebreak?> 	deken van de Orde van Advocaten kan worden gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Op grond van artikel 98 lid 5 Sv mogen, ook zonder toestemming van de <?linebreak?> 	verschoningsgerechtigde, brieven of andere geschriften in beslag worden genomen <?linebreak?> 	die voorwerp van het strafbare feit uitmaken (<emphasis role="italic">corpora delicti</emphasis>) of tot het begaan <?linebreak?> 	daarvan hebben gediend (<emphasis role="italic">instrumenta delicti</emphasis>). Zulke brieven en geschriften vallen <?linebreak?> 	immers	niet onder de geheimhoudingsplicht, en daarmee evenmin onder het <?linebreak?> 	verschoningsrecht.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de <?linebreak?> 	vraag of brieven of andere geschriften onder het verschoningsrecht vallen (en <?linebreak?> 	daarmee ook of deze stukken <emphasis role="italic">corpora/instrumenta delicti</emphasis> betreffen) in beginsel  <?linebreak?> 	toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het <?linebreak?> 	standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het <?linebreak?> 	strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan <?linebreak?> 	kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt <?linebreak?> 	door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze <?linebreak?> 	geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor een beroep op het <?linebreak?> 	verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de <?linebreak?> 	verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevindt (vgl. HR 2 maart 2010, <?linebreak?> 	ECLI:NL:HR:2010:BJ9262, NJ 2010/144).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door <?linebreak?> 	de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie <?linebreak?> 	toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de <?linebreak?> 	deken van de Orde van Advocaten. Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe <?linebreak?> 	door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Wat als <emphasis role="italic">corpora/instrumenta delicti</emphasis> kunnen worden aangemerkt is een vraag die <?linebreak?> 	zich niet in het algemeen laat beantwoorden. Zij “is in het bijzonder afhankelijk van <?linebreak?> 	de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan <?linebreak?> 	door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke <?linebreak?> 	gedragingen die hem in dat verband worden verweten” (HR 5 januari 2016, <?linebreak?> 	ECLI:NL:HR:2016:8). De enkele omstandigheid dat dat het inbeslaggenomen stuk <?linebreak?> 	kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan, ongeacht een gerechtvaardigd <?linebreak?> 	beroep op het verschoningsrecht, het belang van de waarheidsvinding meebrengen <?linebreak?> 	dat het verbod van artikel 98, eerste lid Sv, wordt geschonden (HR 14 oktober 1986, <?linebreak?> 	NJ 1987/490 en HR 30 november 1999, NJ 2002/438). Het is dan in eerste instantie <?linebreak?> 	aan de rechter-commissaris om te oordelen of dergelijke brieven of andere <?linebreak?> 	geschriften in zodanig verband staan met de desbetreffende feiten dat zij kunnen <?linebreak?> 	dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De inbreuk op het <?linebreak?> 	verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het <?linebreak?> 	licht brengen van de waarheid van dat feit. Factoren die een rol kunnen spelen bij de <?linebreak?> 	beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de <?linebreak?> 	verschoningsgerechtigde, de aard en zwaarte van de verdenking, de aard en omvang <?linebreak?> 	van de gegevens en de vraag in	hoeverre de relevante gegevens op andere wijze <?linebreak?> 	kunnen worden verkregen.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>De rechtbank dient te beoordelen of de rechter-commissaris terecht en op <?linebreak?> 	deugdelijke gronden tot het oordeel is gekomen dat ten aanzien van de in beslag <?linebreak?> 	genomen goederen het beslagregime “zeer uitzonderlijke omstandigheden” van <?linebreak?> 	toepassing is. De rechtbank acht zich ook zonder de onderliggende vorderingen en <?linebreak?> 	de aanvraag doorzoeking voldoende voorgelicht om tot deze beoordeling te kunnen <?linebreak?> 	komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>De rechtbank houdt rekening met de omstandigheden van het geval, waaronder de <?linebreak?> 	aard en zwaarte van de verdenking, de aard en omvang van de gegevens en de vraag <?linebreak?> 	in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>De verdenking van klager ziet op de betrokkenheid bij de voorbereiding en <?linebreak?> 	uitlokking van zeer ernstige en gewelddadige strafbare feiten, op betrokkenheid bij <?linebreak?> 	harddrugshandel op grote schaal, op betrokkenheid bij witwassen en op deelneming <?linebreak?> 	aan een criminele organisatie die gericht is op het plegen van strafbare feiten. De <?linebreak?> 	verdenking richt zich op het als advocaat doorgeven van berichten van [medeverdachte] 	aan de buitenwereld. De inhoud van de berichten ziet mogelijk op het voortzetten <?linebreak?> 	van criminele handelingen en een mogelijk acute dreiging dat zwaar geweld <?linebreak?> 	toegepast gaat worden met levensgevaar voor anderen. Deze verdenking ziet op <?linebreak?> 	feiten waardoor aan het vertrouwen in de maatschappelijke functie van de <?linebreak?> 	advocatuur grote schade wordt berokkend.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>De rechtbank stelt verder vast dat deze gegevens niet op andere wijze kunnen 	worden	verkregen en is van oordeel dat deze kunnen dienen om de <?linebreak?> 	waarheid aan het licht te brengen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5</nr>
      <para>De rechter-commissaris is in voornoemde procedure aldus op deugdelijke gronden <?linebreak?> 	tot het oordeel gekomen dat ten aanzien van de in beslag genomen goederen “zeer <?linebreak?> 	uitzonderlijke omstandigheden” van toepassing zijn. Uit de bewoordingen blijkt <?linebreak?> 	eveneens dat rekenschap is gegeven aan de omstandigheden van het geval. De <?linebreak?> 	rechtbank sluit zich ook aan bij de motivering van de rechter-commissaris. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6</nr>
      <para>De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die het verschoningsrecht doorbreken. Het beklag van klager is dan ook ongegrond. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7</nr>
      <para>De in beslag genomen goederen zijn vatbaar voor inbeslagneming en de officier van justitie wordt gemachtigd de stukken te voegen in het procesdossier en daarvan gebruik te maken ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek 26Mandel. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>De rechtbank komt tot de volgende beslissing. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank verklaart het beklag van klager <emphasis role="bold underline">ongegrond</emphasis>. <?linebreak?>Deze beslissing is gegeven door</para>
        <para>mr. [voorzitter] , 	voorzitter,</para>
        <para>mrs. [rechter 1] en [rechter 2]	rechters,</para>
        <para>in tegenwoordigheid van mr. [griffier] , 	griffier,</para>
        <para>en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, </para>
        <para>in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, </para>
        <para>binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>