<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:5826</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T16:47:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751774-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5826">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5826</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-26T11:16:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:5826 Rechtbank Amsterdam , 07-10-2021 / 13/751774-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5826:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Polen executie, OL toegestaan, weigeringsgrond ex art. 12 OLW aan de orde tav vonnis II; rb ziet af van bevoegdheid OL te weigeren,  verweer art. 11 OLW m.b.t. detentieomstandigheden verworpen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5826:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751774-21 </para>
      <para>RK nummer: 21/4495</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 oktober 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 augustus 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2021 door <emphasis role="italic">the Circuit Court in Katowice, V Penal Division</emphasis></para>
      <para>(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[naam opgeëiste persoon]</emphasis>  </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres] </para>
      <para>gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van  26 augustus 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd aangehouden teneinde de raadsman voldoende voorbereidingstijd te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 23 september 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van twee voor tenuitvoerlegging vatbare vonnissen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the Katowice-Zachód District Court in Katowice </emphasis> van 21 januari 2015, onherroepelijk geworden op 29 januari 2015, referentienummer: III K 507/12 (hierna:<emphasis role="bold"> vonnis I</emphasis>);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Judgment of the District Court in Kalisz</emphasis> van 16 oktober 2018, onherroepelijk geworden op 24 oktober 2018, referentienummer II K 550/18 <emphasis role="bold">(</emphasis>hierna:<emphasis role="bold"> vonnis II</emphasis>).</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van vonnis I wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.</para>
      <para>Ten aanzien van vonnis II wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog zeven maanden en negentwintig dagen. </para>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van vonnis I</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De advocaat heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon wel aanwezig is geweest bij de zitting van 21 januari 2015, waar de straf voorwaardelijk is opgelegd. Hij is echter niet aanwezig geweest bij of op de hoogte gesteld van de zitting van 30 januari 2018, waarbij de straf is omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit is een schending van zijn verdedigingsrechten en de overlevering moet worden geweigerd.</para>
        <para>De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer van de advocaat niet slaagt. </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de zitting van 21 januari 2015 de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Derhalve is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing op dat vonnis. Met betrekking tot de omzetting van de straf wijst de rechtbank op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 december 2017 in de zaak Ardic.<footnote-ref linkend="_25ede19f-b282-4eaa-b6c0-609e689803cc" /> Daaruit blijkt dat een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet valt onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover een dergelijke beslissing geen wijziging brengt of kan brengen in de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf. Uit de stukken is niet gebleken dat de tenuitvoerlegging een wijziging in de aard of de maat van de aan de opgeëiste persoon opgelegde straf heeft gebracht of had kunnen brengen. Derhalve gelden de vereisten van artikel 12 OLW niet voor de omzettingsprocedure. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dus ook geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te schorsen voor het stellen van nadere vragen over de omzettingsprocedure.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ten aanzien van vonnis II</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.2.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
          </para>
          <para>De raadsman stelt zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet in persoon</para>
          <para>verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, terwijl zich ook niet één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de procedures die hebben geleid tot het vonnis. Tijdens zijn verhoor heeft hij het adres opgegeven van zijn toenmalige partner bij wie hij woonde in Polen. Later zijn zij uit elkaar gegaan en is hij naar Nederland vertrokken waardoor hij geen officiële correspondentie over (het vervolg van) die procedure heeft kunnen ontvangen. De opgeëiste persoon geeft aan dat hij niet op de hoogte is gesteld tijdens het verhoor dat hij adreswijzigingen diende door te geven en dat hij niet wist dat er na het verhoor een procedure zou volgen. Hierdoor zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon geschonden. Primair dient de overlevering te worden geweigerd. Subsidiair vraagt de raadsman om aanhouding om nadere informatie te vergaren over het op de hoogste stellen van de opgeëiste persoon met betrekking tot zijn verdedigingsrechten. </para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.2</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
          </para>
          <para>De officier van justitie heeft zich ten aanzien van vonnis II op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon het feit heeft bekend. De opgeëiste persoon wist dus van het bestaan van de strafzaak. Hij heeft daarnaast in het kader van de <emphasis role="italic">preparatory proceedings</emphasis> op 24 december 2017 zijn adres aan de Poolse autoriteiten moeten verstrekken en hem is meegedeeld wat, in het kader van de procedure, de juridische gevolgen zouden zijn als hij van adres zou wisselen zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen. Hij heeft er echter voor gekozen om niet deel te nemen aan de procedure en daarmee stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon ter zitting te verschijnen. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De officier van justitie verwijst in dit verband naar vergelijkbare zaken waarin de rechtbank Amsterdam op 15 april 2021<footnote-ref linkend="_7b4ef642-b566-4f3f-bebf-4f6761269665" /> en 18 juni 2021<footnote-ref linkend="_bf0cad3d-5709-4a92-bf26-48a66226493b" /> uitspraak heeft gedaan.</para>
        </parablock>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.3</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
          </para>
          <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
          <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.<?linebreak?></para>
          <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 24 december 2017 is verhoord in het vooronderzoek, waarbij hij een bekennende verklaring heeft afgelegd, en dat hij tijdens dit verhoor is geïnformeerd over het feit dat hij elke adreswijzing aan de autoriteiten door moest geven en over de consequenties van het niet doorgeven van adreswijzigingen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede dat hij er rekening mee moest houden dat er een vervolging tegen hem zou worden ingesteld en dat hij daarover officiële correspondentie zou ontvangen. De opgeëiste persoon heeft er desondanks voor gekozen naar Nederland te vertrekken zonder dit aan de Poolse autoriteiten te laten weten. Evenmin heeft hij na beëindiging van zijn relatie een ander adres in Polen doorgegeven waarop hij bereikbaar was voor oproepingen van justitiële instanties.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert, omdat hij, zo hij al niet door zijn handelwijze stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te schorsen voor het stellen van nadere vragen. Het verweer wordt verworpen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Oplichting;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	Verduistering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11; detentieomstandigheden in Polen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon betoogd dat er een kans is dat er voor de opgeëiste persoon in Polen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling zal zijn en dat moet worden afgezien van overlevering op grond van artikel 11 OLW en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (<emphasis role="italic">hierna: Handvest)</emphasis>. De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij in 2009 samen met oud-werknemers een melding heeft gedaan bij de politie inzake een misbruikschandaal met jonge vrouwen waar personen betrokken zouden zijn met hoge posities in Polen. De opgeëiste persoon is naar aanleiding van zijn verklaring opgepakt en heeft negen maanden doorgebracht in detentie in Polen. Enkele personen die ook verklaard hadden in de bovengenoemde zaak zouden toen op onverklaarbare wijze zijn overleden in of buiten gevangenissen in Polen. De opgeëiste persoon zat eerder in Polen gedetineerd en gaf aan dat er toen al sprake was van onmenselijke of vernederende behandelingen tegen de groep die aangifte had gedaan. De opgeëiste persoon vreest dat de Poolse autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden tegen eventueel geweld in detentie. De opgeëiste persoon heeft gesteld dat hij zich ernstige zorgen maakt over de detentieomstandigheden in Polen en dat hij bang is als gevolg daarvan in een Poolse gevangenis te overlijden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen reëel gevaar voor mensenrechtenschendingen bestaat in Poolse detentie-instellingen. Daarnaast is er geen objectieve, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte informatie beschikbaar waaruit blijkt dat personen die betrokken waren bij bovengenoemde zaak in Polen gevaar lopen in Poolse detentie-instellingen. Zonder nadere onderbouwing door de raadsman bestaat geen aanleiding de zaak aan te houden om nadere informatie omtrent deze situatie te verkrijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank begrijpt het verweer van de opgeëiste persoon aldus dat hij heeft willen betogen dat gedetineerden in penitentiaire inrichtingen in Polen - in het bijzonder gedetineerden die in verband kunnen worden gebracht met bovengenoemde zaak - gedurende de detentieperiode in Polen een reëel gevaar lopen van een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank hanteert bij de toetsing van het verweer het kader, zoals dat is gegeven door het Hof in het arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru). De rechtbank heeft eerder naar aanleiding van overleveringsverzoeken uit Polen de detentieomstandigheden aldaar beoordeeld, waarbij, onder meer in haar uitspraak van 22 oktober 2018<footnote-ref linkend="_2eb7ed29-42a7-4576-a1d5-96397b22e943" /> is vastgesteld dat uit de beschikbare gegevens over de algemene detentieomstandigheden in Polen niet blijkt van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Verder zijn op dit moment geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over detentieomstandigheden in Polen door de raadsman naar voren gebracht – of bij de rechtbank ambtshalve bekend – die duiden op een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is dan ook van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor het toestaan van de overlevering, noch aanleiding geven tot het stellen van nadere vragen daarover aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Het verweer wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 321 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[naam opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Katowice, V Penal Division </emphasis>(Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  				                         		 voorzitter,</para>
      <para>mrs. P. van Kesteren en H.G. van der Wilt ,                   			    rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van K. Spanjaart en F.A. Potters,		                 griffiers,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 7 oktober 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_25ede19f-b282-4eaa-b6c0-609e689803cc" label="1">
    <para>ECLI:EU:C:2017:1026.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b4ef642-b566-4f3f-bebf-4f6761269665" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:1803.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf0cad3d-5709-4a92-bf26-48a66226493b" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:3253.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2eb7ed29-42a7-4576-a1d5-96397b22e943" label="4">
    <para>ECLI:NL:RBAMS:2018:7507.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>