<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:5638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T09:38:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21/4070</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5638">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5638</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T09:37:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:5638 Rechtbank Amsterdam , 06-10-2021 / AWB - 21/4070</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5638:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT. Bezwaar tegen de verlening van een omgevingsvergunning. Beslistermijn is overschreden. Beroep gegrond. Nadere beslistermijn twee weken</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5638:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/4070</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder.</para>
      <para>(gemachtigde: M. Spiegelenburg)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 3 augustus 2021, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van Woonvereniging Voorheen de buren (hierna: de woonvereniging). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de stukken ingestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_7a100723-65b3-4b91-8201-c0aa40c300c4" />Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_9cb1ae00-2e32-4638-8bb3-807f4d48bfda" /></para>
    <para>3. Op 16 maart 2021 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitbouw, een souterrain met koekoeken en het uitvoeren van constructieve wijzigingen aan de woning van eiser. De woonvereniging heeft op 21 april 2021 bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met het formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen van 20 juli 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling ontvangen op 21 juli 2021. Vervolgens is eiser op 3 augustus 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.</para>
    <para />
    <para>4. Het bestuursorgaan dat een besluit dient te nemen moet, binnen zes weken<footnote-ref linkend="_8fb03447-93df-4bfb-8643-33f000e623f8" /> beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.<footnote-ref linkend="_53acab81-a087-456e-bb97-7225067eba69" /> Verweerder heeft per email van 21 april 2021 de beslistermijn verdaagd met zes weken. Daarmee is de beslistermijn verlengd tot twaalf weken. Dit betekent dat verweerder voor 20 juli 2021 op het bezwaar moest beslissen. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder heeft namelijk nog niet op het bezwaar beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is dus gegrond. </para>
    <para>6. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. Eiser heeft niet verzocht om de dwangsom door de rechtbank vast te laten stellen. Dat betekent dat verweerder dit met het nieuwe besluit moet doen.<footnote-ref linkend="_928f961e-39bd-4f9f-ba5a-c776b12c8d83" /></para>
    <para>7. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_df7b5677-02d1-4aa9-9d2c-dde70bf4bce5" /> Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Van een bijzonder geval is daarom geen sprake. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. </para>
    <para>8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. </para>
    <para>9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen <emphasis role="bold">14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak</emphasis> een besluit op het bezwaar bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>en;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiser te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7a100723-65b3-4b91-8201-c0aa40c300c4" label="1">
    <para> Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9cb1ae00-2e32-4638-8bb3-807f4d48bfda" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fb03447-93df-4bfb-8643-33f000e623f8" label="3">
    <para> Op grond van artikel 7:10, eerste lid van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_53acab81-a087-456e-bb97-7225067eba69" label="4">
    <para> Artikel 7:10, eerste lid van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_928f961e-39bd-4f9f-ba5a-c776b12c8d83" label="5">
    <para> Op grond van artikel 4:18, eerste lid, en artikel 8:55c van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df7b5677-02d1-4aa9-9d2c-dde70bf4bce5" label="6">
    <para> Op grond van artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>