<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:5637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T09:32:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-10-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21_4054</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5637">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-11T09:32:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:5637 Rechtbank Amsterdam , 06-10-2021 / AWB - 21_4054</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5637:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT. Bezwaar tegen afwijzing maatwerkvoorziening. Geen reactie van verweerder. Beslistermijn overschreden. Maximale dwangsom vastgesteld. Nadere beslistermijn twee weken</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5637:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/4054</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, </emphasis>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft met de brief van 29 juli 2021, door de rechtbank ontvangen op 3 augustus 2021, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_34cdb9c2-2b65-4867-a085-dc8f7dbc2cc5" />Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_922c3e7a-34f2-4aff-8c38-74661342f164" /></para>
    <para>3. Verweerder heeft in dit dossier geen stukken ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van de door eiseres verstrekte informatie. Verweerder heeft bij besluit van 6 november 2020 de aanvraag voor een tweetal maatwerkvoorzieningen afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt met de brief van 17 december 2020. Verweerder heeft ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd met de brief van 23 december 2020. Met de brief van 10 juni 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft ontvangst van de ingebrekestelling op 10 juni 2021 bevestigd met de brief van 17 juni 2021. Eiseres is op </para>
    <para>3 augustus 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar.</para>
    <para />
    <para>4. Het bestuursorgaan dat op een op bezwaar moet beslissen, moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.<footnote-ref linkend="_05ebc664-2268-463d-935d-fd2063a2571a" /> De termijn is daarom twaalf weken, gerekend vanaf de datum van bekendmaking van het besluit. Dit betekent dat het bestuursorgaan uiterlijk op </para>
    <para>29 januari 2021 moest beslissen. (12 weken na 6 november 2020). De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.</para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is dus gegrond. </para>
    <para>6. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen </para>
    <para>€ 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag<footnote-ref linkend="_246bc3c0-9645-4e17-ac24-b6ef7bdf8e1b" />. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.<footnote-ref linkend="_671888ee-df86-4287-baa7-ce76a2e445d2" /></para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit daarom zelf met toepassing van artikel 8:55c van de Awb alsnog. Verweerder is de dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 24 juni 2021, zijnde twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling, tot en met 5 augustus 2021 en bedraagt het maximale bedrag van € 1.442,-. </para>
    <para>8. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen<footnote-ref linkend="_fc6bac4e-2ef3-4b02-8274-031550058f86" />. Verweerder heeft niet gesteld dat er sprake is van een bijzonder geval. Van een bijzonder geval is daarom geen sprake. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken. </para>
    <para>9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.</para>
    <para>10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de griffiekosten van eiseres vergoeden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.442;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen <emphasis role="bold">14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak</emphasis> een besluit op het bezwaar bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>en,</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op</para>
      <para>6 oktober 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_34cdb9c2-2b65-4867-a085-dc8f7dbc2cc5" label="1">
    <para> Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_922c3e7a-34f2-4aff-8c38-74661342f164" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_05ebc664-2268-463d-935d-fd2063a2571a" label="3">
    <para> Op grond van artikel 7:10, eerste lid van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_246bc3c0-9645-4e17-ac24-b6ef7bdf8e1b" label="4">
    <para> Artikel 4:17 van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_671888ee-df86-4287-baa7-ce76a2e445d2" label="5">
    <para> Artikel 4:18, eerste lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc6bac4e-2ef3-4b02-8274-031550058f86" label="6">
    <para> Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>