<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:5305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-05T11:15:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751775-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5305">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5305</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-05T11:12:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:5305 Rechtbank Amsterdam , 21-09-2021 / 13/751775-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5305:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB executie Polen. Art. 47 EU-H. Antwoorden op prejudiciële vragen mbt EX-EAB slechts relevant voor zaken van een op of ná 14 februari 2020 opgelegde vrijheidsstraf. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. OL toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5305:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751775-21</para>
      <para>RK nummer: 21/3940</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 21 september 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 11 maart 2019 door <emphasis role="italic">The Regional Court in Szczecin</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam opgeéiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum]</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieadres]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 september 2021. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon heeft op 19 augustus 2021 afstand gedaan van het recht om ter zitting aanwezig te zijn. Namens de opgeëiste persoon heeft zijn gemachtigd raadsman het woord gevoerd, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, te weten de <emphasis role="italic">final and non-appealable judgement of the Regional Court in Szczecin</emphasis> van 13 september 2018 (referentienummer: III K 220/18). Het vonnis is onherroepelijk geworden op 21 september 2018. Op 4 januari 2019 is er vervolgens een nationaal arrestatiebevel betreffende de opgeëiste persoon uitgevaardigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB en in de aanvullende informatie, te weten de brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 augustus 2021, staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de zitting die tot de uitspraak heeft geleid. Ook was de opgeëiste persoon in persoon bij de uitspraak aanwezig, waarbij hij is gewezen op de mogelijkheden tot het instellen van hoger beroep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier volgt dat op het feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">5. 	Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank van 10 augustus 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:4334) op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden nu de prejudiciële vragen die zijn gesteld door <emphasis role="italic">The Supreme Court</emphasis> in Ierland in de uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken <emphasis role="italic">[naam 1] and [naam 2] v. Minister for Justice and Equality</emphasis><footnote-ref linkend="_9f20a13a-66a6-4050-ae70-b4a9fdf4b37b" /> ook in de onderhavige zaak relevant zijn. In die uitspraak ging het weliswaar om een EAB dat was uitgevaardigd met het oog op de vervolging van een opgeëiste persoon, maar omdat dit EAB is uitgevaardigd vóór 25 juli 2018, te weten de dag waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) uitspraak heeft gedaan in de zaak <emphasis role="italic">LM</emphasis><footnote-ref linkend="_a05fd625-cf0e-48ac-96a3-abbe81bc2cba" />, is de Ierse prejudiciële verwijzing ook relevant voor dit EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden toegestaan. De toets die het Hof van Justitie heeft geformuleerd in onder meer het arrest <emphasis role="italic">LM </emphasis>geldt onverkort. Nu de verdediging geen stukken heeft overgelegd die aantonen dat de opgeëiste persoon een oneerlijk proces zou hebben genoten in het licht van artikel 47 van het Handvest, bestaat er geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen. Dit zou anders zijn geweest indien het vonnis was gewezen na februari 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Supreme Court</emphasis> in Ierland heeft bij uitspraak van 23 juli 2021 in de gevoegde zaken <emphasis role="italic">[naam 1] and [naam 2] v. Minister for Justice and Equality</emphasis> prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), naar aanleiding van ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat, die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van het Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (<emphasis role="italic">LM</emphasis>), in het bijzonder ontwikkelingen die zich vanaf 24 februari 2020 (de rechtbank begrijpt: 14 februari 2020)<footnote-ref linkend="_df58cc56-ab95-40de-a325-0320b1a2a9c0" /> hebben voorgedaan. Deze vragen, bij het Hof van Justitie ingediend op 3 augustus 2021 (Zaak C-480/21) hebben – kort gezegd – betrekking op ogenschijnlijke gebreken in de geldigheid van de benoemingsprocedure van rechters in Polen en de gevolgen daarvan voor de toelaatbaarheid van overleveringen aan Polen in algemene zin. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 14 september 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5052) heeft de rechtbank in een andere zaak die ziet op een Pools EAB dat is uitgevaardigd met betrekking tot de executie van een vrijheidsstraf de behandeling van de zaak heropend teneinde – in navolging van de Ierse verwijzing – een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie omtrent de toets die door een uitvoerende autoriteit dient te worden aangewend bij een (dreigende) schending van het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de aanleiding voor de prejudiciële vragen, in samenhang met hetgeen in voornoemde tussenuitspraak onder 2.2 (en in het bijzonder onder punt 7) is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de antwoorden op de prejudiciële vragen slechts relevant (kunnen) zijn voor zaken waarin sprake is van een verzoek tot overlevering ten behoeve van de strafvervolging dan wel ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een op of ná 14 februari 2020 opgelegde vrijheidsstraf. In de onderhavige zaak is hiervan geen sprake. De rechtbank zal dan ook niet het onderzoek in deze zaak aanhouden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[naam opgeéiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">The Regional Court in Szczecin</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.A.A.G. de Vries en J.P.W. Helmonds,			   		 	  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack,	 	                        		   	   griffier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9f20a13a-66a6-4050-ae70-b4a9fdf4b37b" label="1">
    <para> https://courts.ie/acc/alfresco/69dfc107-7a5e-4212-a4a8-e27250205b87/2021_IESC_46.pdf/pdf#view=fitH.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a05fd625-cf0e-48ac-96a3-abbe81bc2cba" label="2">
    <para>Hof van Justitie van 25 juli 2018, C‑216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (<emphasis role="italic">LM</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df58cc56-ab95-40de-a325-0320b1a2a9c0" label="3">
    <para> Te weten: de datum dat de ‘<emphasis role="italic">law on the judiciary of 20 December 2019’</emphasis> in werking is getreden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>