<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:5225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T17:38:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751708-21 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:5225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-28T15:40:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:5225 Rechtbank Amsterdam , 16-09-2021 / 13/751708-21 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EAB Italië, detentiegarantie, overlevering toegestaan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:5225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751708-21 (EAB I)</para>
      <para>RK nummer: 21/3873</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 16 september 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 juli 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 maart 2021 door de <emphasis role="italic">Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appelo Di Bologna</emphasis> (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, en door een tolk in de Italiaanse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">judgement</emphasis> van <emphasis role="italic">the Court of Appeal Bologna</emphasis> van </para>
      <para>29 maart 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het (originele, onvertaalde) EAB is vermeld dat bij dit <emphasis role="italic">judgement </emphasis>onder meer een vrijheidsstraf van vier jaar en vier maanden is opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit EAB is tegelijkertijd behandeld met een ander EAB (zaak: 13/751716-21) uit Italië. In beide EAB’s is vermeld dat de overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van acht jaar en vier maanden, waarvan – na aftrek van voorarrest – nog zes jaar, vijf maanden en 29 dagen resteren. Uit de EAB’s kan worden opgemaakt dat die vrijheidsstraf van acht jaar en vier maanden een samenvoeging is van de straf opgelegd bij het in dit EAB genoemde <emphasis role="italic">judgement</emphasis> van <emphasis role="italic">the Court of Appeal Bologna</emphasis> van 29 maart 2019 en een <emphasis role="italic">judgement</emphasis> dat in het andere EAB is genoemd, waarbij een vrijheidsstraf van vier jaar is opgelegd. Die samenvoeging is gedaan door <emphasis role="italic">the Public Prosecutor General at the Court of Appeal Bologna</emphasis> bij <emphasis role="italic">aggregation order</emphasis> van 14 januari 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het <emphasis role="italic">judgement</emphasis> van <emphasis role="italic">the Court of Appeal Bologna</emphasis> van 29 maart 2019 betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De  rechtbank stelt – met de officier van justitie – vast dat het EAB weliswaar strekt tot de tenuitvoerlegging van een <emphasis role="italic">judgement </emphasis>terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, maar dat zich de in artikel 12, onder b, OLW genoemde omstandigheid heeft voorgedaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW kan daarom niet worden toegepast.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor de volledigheid merkt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van </para>
        <para>20 september 2018 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2018:7525), nog op dat de <emphasis role="italic">aggregation order</emphasis> van 14 januari 2021 van <emphasis role="italic">the Public Prosecutor General at the Court of Appeal Bologna</emphasis> niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.  De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 december 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:10053) voor de detentie instellingen ‘de Opera van Milaan’, twee Napolitaanse detentie-instellingen en de detentie-instellingen van Bergamo, Milaan San Vittore, Monza, Voghera, Alba, Pisa, Campobasso, Civitavecchia Nuovo Complesso, Turi, Trani vrouwen, Catanzaro, Catania Piazza Lanza en Nuoro vastgesteld dat er voor gedetineerden in die instellingen een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De rechtbank kwam tot die vaststelling, omdat voor gedetineerden in die instellingen niet ten minste 3 m2 celruimte was gegarandeerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft vervolgens door de Italiaanse autoriteiten verstrekte garanties van 2 en 4 maart 2020 voldoende bevonden om voor opgeëiste personen het reële gevaar op een behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest in detentie in Italië weg te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon na overlevering naar Italië een reëel risico zou lopen in detentie te worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Daartoe heeft zij een artikel ‘Italian prisons under fire as video footage shows guards beating inmates’ uit The Guardian van 1 juli 2021 overgelegd. Onder verwijzing naar dit artikel en de video bij het artikel heeft zij gesteld dat de detentieomstandigheden in de gevangenis in Caserta onder de maat zijn, in het bijzonder vanwege het door beveiligers tegen gedetineerden toegepaste geweld. De opgeëiste persoon zou dan ook de garantie moeten hebben dat hij niet in die gevangenis zal worden geplaatst. De algemene detentiegaranties van de Italiaanse autoriteiten van 2 en 4 maart 2020 zijn verstrekt voordat de incidenten in de gevangenis in Caserta hebben plaatsgevonden, zoals omschreven in het artikel en te zien op de video. Die garanties zien dan ook niet op de gevangenis in Caserta, aldus de raadsvrouw.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook in deze zaak de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte detentiegaranties van 2 en 4 maart 2020 volstaan om het reële gevaar op een behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest in detentie in Italië van de opgeëiste persoon weg te nemen. Zij heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 30 maart 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:1804). Over de beelden op de door de raadsvrouw aangevoerde video heeft zij nog opgemerkt dat het weliswaar schokkende beelden zijn, maar dat die dateren van april 2020 en dus niet recent zijn. Ook heeft zij opgemerkt dat in het artikel is vermeld dat 52 personen van de beveiliging zijn gearresteerd naar aanleiding van de incidenten en de problemen dus kennelijk worden aangepakt. Het artikel en de video leveren bovendien geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Caserta op. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in Caserta zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, aldus de officier van justitie. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is af te wijken van haar standpunt zoals neergelegd in de eerder genoemde uitspraak van 30 maart 2021. De garanties van 2 en 4 maart 2020 zijn nog altijd van toepassing. Dat betekent dat onder meer is gegarandeerd dat door de Nederlandse autoriteiten overgeleverde personen allereerst zullen worden ondergebracht in de penitentiaire inrichting van Rome-Rebibbia-Nieuw Complex. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Van belang is dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie verplicht is uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis (zie: zaak ML, C-220//18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589). In dat kader moet de rechtbank vaststellen dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd in de penitentiaire inrichting van [naam PI] . Ten aanzien van die instelling heeft de rechtbank voor gedetineerden geen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest aangenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft geen aanwijzing dat de opgeëiste persoon in afwijking van voornoemde garantie in de gevangenis in Caserta zal worden gedetineerd. De onderzoeksplicht van de rechtbank strekt zich dan ook niet uit tot die instelling. Het bepaalde in artikel 11 OLW kan reeds daarom niet in de weg staan aan het toestaan van de overlevering. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en  7, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] ,</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Procura Generale Della Repubblica Presso La Corte Di Appelo Di Bologna</emphasis> (Italië).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.G. Vegter en A.K. Mireku,		                         			rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,		                         		griffier,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 16 september 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>