<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:4589</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T14:04:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/1893</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:4589">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:4589</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-31T09:02:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:4589 Rechtbank Amsterdam , 18-06-2021 / 21/1893</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:4589:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig (BNT). Bezwaar tegen weigering invorderingsrente. Verweerder is niet gehouden tot het vaststellen van invorderingsrente. Niet voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van BNT. Niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:4589:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/1893</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Stichting Sportevenementen Amstelveen, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. Volijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de brief van 25 maart 2021, door de rechtbank ontvangen op 29 maart 2021, heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft een nader standpunt ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    <para>2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag op de grond van de Wet onroerende zaakbelasting (hierna: woz) voor de niet-woning met het [adres] te Amstelveen (hierna: het object). Verweerder heeft met de uitspraak op bezwaar van 26 februari 2020 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de beroepsprocedure is tussen partijen op 8 juli 2020 een overeenkomst gesloten waarbij verweerder de woz-waarde van het object heeft verlaagd. Eiseres heeft het beroep vervolgens ingetrokken. Met de brief van 22 september 2020 heeft eiseres verweerder verzocht om een beschikking waarin de door verweerder verschuldigde invorderingsrente wordt vastgesteld over de reeds betaalde onroerendzaakbelasting. Met de email van 30 oktober 2020 heeft verweerder meegedeeld dat de teruggave van de teveel betaalde onroerendzaakbelasting geen aanleiding is te besluiten tot vergoeding van invorderingsrente. Met de email van 10 december 2020 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de weigering om invorderingsrente over de teruggaaf te vergoeden. Eiseres heeft met de email van 25 januari 2021 het bezwaar gemotiveerd en verweerder in gebreke gesteld. </para>
    <para>3. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_fb11896a-111d-4c2f-92cd-1d8aab1789e8" />Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_602ecefb-b4b4-4e5b-92e7-3afbd26b26b4" /></para>
    <para>3. Artikel 231 Gemeentewet verklaart de Invorderingswet 1990 (hierna: Invorderingswet) van toepassing op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. Uit artikel 28b, eerste lid van de Invorderingswet volgt dat indien een belastingaanslag wordt verminderd of herzien tot een lager bedrag dan inmiddels op die aanslag is betaald en de belastingschuldige eerder een verzoek om uitstel van betaling met betrekking tot het door hem bestreden bedrag van die aanslag heeft gedaan dat door de ontvanger bij beschikking is afgewezen, de aan belastingschuldige invorderingsrente wordt vergoed. Uit artikel 30, eerste lid van de Invorderingswet volgt dat verweerder gehouden is het bedrag van de invorderingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen.  </para>
    <para />
    <para>4. Gesteld noch gebleken is dat eiseres uitstel van betaling heeft gevraagd. Daarom is verweerder niet gehouden om de invorderingsrente te vergoeden. Verweerder is daarom ook niet gehouden om op grond van artikel 30, eerste lid van de invorderingswet 1990 een voor bezwaar vatbare beslissing omtrent de invorderingsrente te nemen. De afwijzing van verweerder van het verzoek tot vaststelling van de wettelijke rente is daarom geen besluit waartoe verweerder op grond van de wet gehouden is. Omdat verweerder niet gehouden is tot het nemen van een besluit, is er ook geen sprake van een termijn waarbinnen verweerder moet beslissen.</para>
    <para />
    <para>5. Gelet hierop moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep, zoals genoemd in artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht en dat dus geen sprake is geweest van een ontvankelijk beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L.A.T. Doll, rechter, in aanwezigheid van             mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
  <footnote id="_fb11896a-111d-4c2f-92cd-1d8aab1789e8" label="1">
    <para> Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_602ecefb-b4b4-4e5b-92e7-3afbd26b26b4" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>