<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:3819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-09T13:43:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751533-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3819">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-09T11:17:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:3819 Rechtbank Amsterdam , 15-07-2021 / 13/751533-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:3819:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering, Belgisch EAB ten behoeve van vervolging, tussenuitspraak, detentieomstandigheden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:3819:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751533-21</para>
      <para>RK nummer: 21/2715</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 juli 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 mei 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 15 mei 2021 door de Onderzoeksrechter bij<emphasis role="italic"> de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout</emphasis> (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1991</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2021. Het verhoor heeft via een videoverbinding plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie </para>
      <para>mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J.P. Toonen, advocaat te Cuijk, en door een tolk in de Litouwse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Litouwse  nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een op 15 mei 2021 afgegeven bevel tot aanhouding bij verstek afkomstig van de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout (België).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB houdt verder een verzoek in om afgifte van de inbeslaggenomen Range Rover Velar met kenteken [kentekennummer] en met raamnummer [raamnummer] , aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1 en 18, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">1. Deelneming aan een criminele organisatie</bridgehead>
    <bridgehead role="italic">18. Georganiseerde of gewapende diefstal</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Eerste lid, onderdeel a (feit geheel of ten dele in Nederland gepleegd)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. <?linebreak?></para>
      <para>Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan de rechtbank de overlevering in die situatie weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- Het onderzoek is in België aangevangen;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De Belgische autoriteit heeft kenbaar gemaakt de vervolging in te willen stellen met het   </emphasis>
    </para>
    <bridgehead role="italic">  uitvaardigen van het EAB;</bridgehead>
    <para>
      <emphasis role="italic">- De diefstal van beide auto’s heeft in België plaatsgevonden;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- Het bewijs bevindt zich grotendeels in België;</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn;</para>
    <para />
    <para>- de weigeringsgrond ertoe strekt te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aan de Belgische autoriteit nadere vragen te stellen over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na zijn overlevering, conform de tussenuitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:3243). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft het volgende naar voren gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de tussenuitspraak van 22 juni 2021 komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een reëel gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden die terecht komen in een detentie-instelling waar sprake is van grondslapers. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 16 maart 2021 (<emphasis role="italic">Pîrjoleanu/België</emphasis>) over de omstandigheden in de detentie-instelling in Antwerpen in 2018 en de antwoorden van de Minister van Justitie op Kamervragen over grondslapers in Belgische detentie-instellingen in maart 2021. Hieruit volgt weliswaar dat de situatie in Belgische detentie-instellingen zorgelijk is, maar dat is onvoldoende voor het oordeel dat er op dit moment sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen die in België zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. De beschikbare informatie is daartoe onvoldoende actueel. De situatie in de detentie-instellingen fluctueert, dat wil zeggen dat de situatie per maand verandert. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de overlevering toelaatbaar is en geeft de rechtbank in overweging terug te komen op het oordeel van de tussenuitspraak van 22 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding om nu anders te oordelen dan zij heeft gedaan in haar tussenuitspraak van 22 juni 2021. De rechtbank onderkent dat het arrest van het EHRM ziet op een situatie in 2018. De rechtbank onderschrijft ook het standpunt van de officier van justitie dat de situatie van de grondslapers fluctueert. Dit blijkt uit de antwoorden die de Minister van Justitie heeft gegeven op Kamervragen.<footnote-ref linkend="_8aa11b9b-b72c-4eb8-a69d-aa35b8c8641a" /> Met betrekking tot de grondslapers verklaart de Minister: “<emphasis role="italic">Zoals mijn voorganger het meermaals heeft aangegeven, kan het gebeuren dat wanneer een arresthuis zich geconfronteerd ziet met een groot aantal opsluitingen op korte termijn, het aantal opsluitingen het aantal beschikbare bedden voor een korte tijdsduur overschrijdt. Instroom en uitstroom van gedetineerden zijn uiteraard geen communicerende vaten”. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De omstandigheid dat de situatie met betrekking tot de grondslapers fluctueert en per maand verschilt en van een korte tijdsduur is, betekent echter ook dat de situatie ten tijde van de tussenuitspraak van 22 juni 2021 gelijk kan zijn aan de situatie in maart 2021 of zelfs is verslechterd en dat gedetineerden als gevolg daarvan onvoldoende persoonlijke leefruimte tot hun beschikking hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal dan ook verder gaan op de ingeslagen weg. De rechtbank verzoekt de officier de vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten die ook in de tussenuitspraak van 22 juni 2021 zijn gesteld, zoals deze hierna zijn opgenomen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoeveel individuele celruimte zal hem ter beschikking staan in een eenpersoonscel en hoeveel in een meerpersoonscel en is dit - voor wat betreft de meerpersoonscel - inclusief of exclusief het sanitair mede gelet op de situatie met betrekking tot grondslapers op het moment van beantwoording van de vraag?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beschikt deze detentie-instelling over een deugdelijk afgeschermd toilet in de meerpersoonscellen?</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de antwoorden op deze vragen betrekking dienen te hebben op de situatie van dit moment, dat wil zeggen dat de thans beschikbare informatie die heeft geleid tot de tussenuitspraak van 22 juni 2021 geactualiseerd dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In afwachting van de antwoorden op voornoemde vragen, zal de rechtbank op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen deze 30 dagen wederom op zitting dan wel in raadkamer zal worden aangebracht om te beslissen over een eventuele verdere verlenging van de beslistermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 6. vermelde vragen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 30 dagen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. H.P. Kijlstra,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.G. Vegter en E.G.M.M. van Gessel,                         			  rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon,		                         	   griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8aa11b9b-b72c-4eb8-a69d-aa35b8c8641a" label="1">
    <para> https://www.stradalex.com/nl/sl_src_publ_div_be_senat/document/SVsen_7-1137 </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>