<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:3256</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T16:33:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/752079-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3256">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3256</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-29T15:59:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:3256 Rechtbank Amsterdam , 18-06-2021 / 13/752079-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:3256:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overleveringsverzoek uit Polen. Artikel 12 OLW niet van toepassing. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:3256:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/752079-20</para>
      <para>RK nummer: 21/1955</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 18 juni 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 april 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2020 door <emphasis role="italic">the Regional Court of Toruń</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in [detentieplaats],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 juni 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door zijn advocaat, </para>
      <para>mr. A.G.P. de Boon, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">final cumulative judgement of the District Court in Toruń of 28th December 2018, file reference number II 841/18, cumulating the penalties adjudicated by the following sentences:</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">- sentence of the District Court in Toruń of 22nd February 2016, file reference number VIII K 135/15;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- cumulative sentence of the District Court in Toruń of 11th January 2016, file reference number II K 1162/15, which covered the penalties adjudicated by the following sentences:</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- sentence of the District Court in Chełmno of 29th March 2013, file reference number II K 74/13;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- sentence of the District Court in Toruń of 20th October 2015, file reference number VIII K 1031/14.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, tien maanden en acht dagen. Deze gecumuleerde vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis met nummer II K 841/18.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Cumulative judgement</emphasis>
          <emphasis role="underline"> met nummer II K 841/18</emphasis>
        </para>
        <para>De advocaat heeft aangevoerd dat de door de opgeëiste persoon getekende machtiging voor zijn Poolse advocaat niet is meegestuurd met de aanvullende informatie van 29 april 2021 en dat dit wel is vereist, omdat de opgeëiste persoon ontkent dat hij een advocaat heeft gemachtigd en hij toen al in Nederland was. Er kan niet worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel bij Polen, gelet op alle problematiek met de rechtsstaat aldaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, heeft voorgedaan.</para>
        <para>In het EAB staat dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd en dat deze hem heeft verdedigd tijdens de zitting. In de aanvullende informatie van 29 april 2021 staat onder meer dat een door de opgeëiste persoon getekende machtiging zich in het Poolse dossier bevindt. De rechtbank dient van de juistheid van deze aanvullende informatie van 29 april 2021 uit te gaan. Het verweer wordt verworpen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggende arrest met nummer IX Ka 336/16 (hoger beroep van het onderliggende vonnis met nummer VIII K 135/15)</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, heeft voorgedaan. In de aanvullende informatie van 24 mei 2021 staat onder meer dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat hem op de zitting in hoger beroep heeft vertegenwoordigd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggende </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">cumulative judgement</emphasis>
          <emphasis role="underline"> met nummer II K 1162/15</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, heeft voorgedaan. In de aanvullende informatie van 18 mei 2021 staat onder meer dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggende vonnis met nummer II K 74/13, dat onderdeel uitmaakt van het </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">cumulative judgement</emphasis>
          <emphasis role="underline"> met nummer II K 1162/15</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub a, heeft voorgedaan. In de aanvullende informatie van 29 april 2021 staat onder meer dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Onderliggende vonnis met nummer VIII K 1031/14, dat onderdeel uitmaakt van het </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">cumulative judgement</emphasis>
          <emphasis role="underline"> met nummer II K 1162/15</emphasis>
        </para>
        <para>In de aanvullende informatie van 29 april 2021 staat onder meer vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Artikel 12 OLW is dus niet aan de orde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten in het vonnis met nummer II K 74/13 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten in de vonnissen met nummers VIII K 135/15 en VIII K 1031/14 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Overige verweren  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De advocaat heeft naar voren gebracht dat er een fout in het EAB staat. Onder onderdeel I) onder 2) staat namelijk de naam van de moeder van de opgeëiste persoon en de familienaam in de personalia van de opgeëiste persoon is ook onjuist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van de juistheid van de stellingen van de advocaat  (de officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd de naam op internet te hebben opgezocht en geconstateerd dat deze in Polen kennelijk vaker voorkomt), het EAB is ondertekend door Grzegorz Waloch, rechter bij <emphasis role="italic">the Regional Court of Toruń</emphasis>, en niet door de persoon die onder onderdeel I) onder 2) staat vermeld. Het verweer raakt dus niet de geldigheid van het EAB en wordt derhalve verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court of Toruń</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,  				                           		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C. Eggink en C. Huizing-Bruil,					rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek,				griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 18 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>