<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:2713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-01T10:56:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751613-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:2713">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:2713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-01T10:00:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:2713 Rechtbank Amsterdam , 20-05-2021 / 13/751613-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:2713:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon staat als ‘voortvluchtig’ te boek in Italië. Dit zou er op kunnen wijzen dat hij niet daadwerkelijk kennis heeft gehad van het proces in hoger beroep en/of het arrest dat is gewezen. Er zijn echter geen gegevens verstrekt over de vraag of de opgeëiste persoon kennis heeft gehad of kunnen hebben van de procedure in hoger beroep dan wel de beslissing in hoger beroep. In het bijzonder ontbreken gegevens met betrekking tot (de wijze van) betekening van de datum en de plaats van de zitting, of het verstrekken van de uitspraak. </para>
        <para>Tegen die achtergrond kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon indien hij na zijn overlevering aan Italië verzet instelt, daadwerkelijk een nieuw proces kan krijgen. Van een onvoorwaardelijke verzetgarantie kan niet worden gesproken, gelet op hetgeen door de uitvaardigende justitiële autoriteit is meegedeeld over de toepasselijke Italiaanse regeling.</para>
        <para>Bij gebreke van nadere gegevens, in het bijzonder met betrekking tot (de wijze van) betekeningen van de datum en plaats van de zitting, of het verstrekken van de uitspraak, kan voorts niet worden vastgesteld of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in dit geval bij overlevering voldoende zullen zijn gewaarborgd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:2713:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751613-20</para>
      <para>RK nummer: 20/3808</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 20 mei 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2019 door <emphasis role="italic">the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Milan </emphasis>(Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te Albanië op [geboortedag] 1978, </para>
      <para>	alias: <emphasis role="bold">[alias opgeëiste persoon 1]</emphasis>, geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [alias geboortedag] 1979</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats detentie] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 13 oktober 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. E. Stam, waarnemend voor mr. R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam. Nadat het niet was gelukt om de opgeëiste persoon via een videoverbinding te horen, heeft de raadsman telefonisch contact gehad met de opgeëiste persoon, waarbij de opgeëiste persoon heeft aangegeven afstand te doen van zijn recht om op de zitting te worden gehoord. De raadsman heeft laten weten te zijn gemachtigd om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak van 27 oktober 2020</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_9ef3dc54-bfa3-416e-b906-a1ac9e64b6df" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting bij tussenuitspraak van 27 oktober 2020 heropend </para>
      <para>en meteen geschorst voor het stellen van nadere vragen aan de Italiaanse uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 4 november 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 4 november 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft bij schriftelijke verklaring van 2 november 2020 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn en is wederom vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. E. Stam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW (oud) uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens is beslist de overleveringsdetentie niet te schorsen, ingevolge het toetsingskader als is uiteengezet in de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019<footnote-ref linkend="_34cf0ceb-8af0-4d45-a22b-402c0c2f504a" />.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting is geschorst voor onbepaalde tijd, teneinde de antwoorden op de vragen die bij tussenuitspraak van 27 oktober 2020 zijn gesteld af te wachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 6 mei 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 6 mei 2021 . Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is wederom vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. E. Stam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat het opnieuw niet was gelukt om de opgeëiste persoon via een videoverbinding te horen, heeft de raadsman meegedeeld dat hij het zich mogelijk voordoen van deze situatie op voorhand met de opgeëiste persoon heeft besproken en dat de opgeëiste persoon hem te kennen heeft gegeven dat hij een beslissing wil in het overleveringsverzoek en hij daarom geen aanhoudingsverzoek zal doen, maar afstand doet. Om die reden wordt de zitting buiten aanwezigheid van de opgeëiste persoon voortgezet. De raadsman is gemachtigd om namens de opgeëiste persoon het woord te voeren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met instemming van de officier van justitie en de raadsman hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van <?linebreak?>4 november 2020. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en heeft vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Albanese nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Judgment n. 445/2019 – Reg. Gen. – R.G.N.R. n.7086/2014, issued on 21.1.2019 by the Court of Appeal of Milan, first division, overturning judgment 2680/2016 of 8.7.2016 of the Ordinary Court of MONZA, final on 7.4.2019</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren en zeven maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 21 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat <?linebreak?>- kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB staat in onderdeel d) het volgende vermeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">the person will be personally served with this decision without delay after the surrender;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">when served with the decision, the person will be expressly informed of the right to a retrial or appeal, in which he has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and </emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">the person will be informed of the timeframe within which he has to request a retrial or appeal, which will be 30 days.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij e-mails van 12 oktober 2020 de volgende aanvullende informatie verstrekt op vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC): </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">a)	Het gaat om een beslissing in tweede aanleg, het vonnis van het Gerechtshof Milaan nr. 445/2019 d.d. 21-01-2019 dat op 07-04-2019 onherroepelijk is geworden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">b)	Uit de stukken van ons ressortsparket blijkt dat [opgeëiste persoon] voortvluchtig was zowel tijdens het proces in eerste aanleg als tijdens het proces in tweede aanleg. In het dossier van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf bevinden zich geen stukken m.b.t de betekeningen van de datum en de plaats van de zitting omdat die deel uitmaken van het dossier van het Gerechtshof, een ander justitieel orgaan;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c)	[opgeëiste persoon] werd vertegenwoordigd door een toegevoegd advocaat Mr. Renata D’Amico, ingeschreven bij de balie van Monza, en derhalve was er geen machtiging om hem te vertegenwoordigen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">d)	In het uitvoeringsdossier bevinden zich geen stukken aangaande de ontvangst in persoon van het vonnis, aangezien het stukken betreft die zich eventueel in het dossier van het Gerechtshof bevinden, een ander justitieel orgaan;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">e)	[opgeëiste persoon] zou om een nieuw proces kunnen vragen. Daarin is voorzien bij art. 175 Sv.  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de stukken in mijn bezit blijkt dat het Bureau RC bij de Rechtbank Monza voor de strafbare feiten in zake waarvan een veroordelend vonnis is uitgesproken en een EAB is uitgevaardigd, op 15-7-2014 een bevel tot voorlopige hechtenis heeft uitgevaardigd dat niet ten uitvoer is gelegd omdat [opgeëiste persoon] onvindbaar was; de betreffende persoon heeft verschillende aliassen, waaronder [alias opgeëiste persoon 2] , [alias opgeëiste persoon 3] , geboren op </emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">
          [alias geboortedag] -1979, [alias opgeëiste persoon 1] , geboren op [alias geboortedag] -1979, [alias opgeëiste persoon 4] , geboren op [alias geboortedag] -1979. </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het uitvoeringsdossier bevinden zich geen verdere stukken; als die er zijn, dan bevinden ze zich in het dossier van het Arrondissementsparket Monza dat destijds het onderzoek heeft verricht. Ik kan het verzoek natuurlijk doorzenden aan laatstgenoemd parket, maar waarschijnlijk zou u dan niet uiterlijk morgen antwoord daarop krijgen.  Ik wijs erop dat het Ressortsparket een onderzoeksinstantie in tweede aanleg is, en anders dan het Arrondissementsparket geen opsporingsonderzoek verricht, en derhalve niet in het bezit is van gedetailleerde informatie t.a.v. het onderzoek, betekeningen en identificatie van de persoon in kwestie.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ik wijs hoe dan ook op wat in de vorige e-mail is aangegeven, en benadruk dat als voldaan is aan de voorwaarden als gesteld in art. 175 Sv de veroordeelde een bezwaarschrift kan indienen bij het Gerechtshof Milaan dat op grond van de stukken zal beslissen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 27 oktober 2020 heeft de rechtbank de volgende vragen aan de Italiaanse uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">Heeft de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis gehad van de procedure of van de beslissing in hoger beroep bij het Gerechtshof Milaan en heeft hij vrijwillig afgezien van het recht om te verschijnen of een rechtsmiddel aan te wenden?</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">Zal hij na overlevering daadwerkelijk toegelaten worden tot het instellen van verzet en zal hij het recht hebben daaraan deel te nemen en bestaat dan het recht op een procedure, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing? De rechtbank wijst er hierbij op dat zowel in het EAB als in de aanvullende informatie is meegedeeld dat de beslissing van het Gerechtshof Milaan van 21 januari 2019 – de grondslag van onderhavig EAB – op 7 april 2019 onherroepelijk is geworden.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vragen zijn in april 2021 beantwoord door het Italiaanse Ministerie van Justitie (en tevens ter kennisgeving aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gezonden): </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Met betrekking tot het recht op heropening van het strafproces bevestigen wij dat dit wordt gegarandeerd overeenkomstig de bepalingen die zijn neergelegd in de tekst van artikel 175 van het Italiaanse Wetboek van strafvordering [cpp = codice di procedura penali], die erin voorzien dat verdachten die zijn veroordeeld zonder dat zij daarbij aanwezig waren, de mogelijkheid hebben een nieuwe termijn te verzoeken en te verkrijgen om de beslissing aan te vechten, als het bewijs ontbreekt dat zij daadwerkelijk kennis hebben gehad van het proces of de beslissing, in het bijzonder is in lid 2 bis van datzelfde artikel in het geval van uitlevering door het buitenland  voorzien in een termijn van dertig dagen vastgesteld op straffe van verval, om het verzoek te doen een nieuwe termijn te krijgen om het in zijn afwezigheid gewezen vonnis aan te vechten Deze termijn gaat in vanaf de overlevering van de veroordeelde.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Daarom kan een verdachte in het geval waarin een veroordeling is uitgesproken naar aanleiding van een proces waarbij hij niet aanwezig was, een nieuw proces krijgen in zijn aanwezigheid door gebruik te maken van het principe van het herstel van de termijn voor het stellen van een rechtsmiddel, zoals is geregeld in art 175, lid 2 en lid 2 bis van het Italiaanse Wetboek van strafvordering, waarbij het de bevoegdheid van de Italiaanse rechter blijft om te beoordelen of aan de voorwaarden van de nationale wetgeving voor de inwilliging van het verzoek is voldaan.” </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft gepersisteerd bij zijn standpunt dat geen sprake is van een garantie zoals bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. De nieuwe informatie die is verstrekt bevat geen antwoord op de vragen die de rechtbank heeft gesteld. Er is nog steeds geen sprake van een onvoorwaardelijke verzetgarantie en er is nog steeds geen informatie verstrekt over de betekening van de relevante stukken. Daarom dient de overlevering op grond van artikel 12 OLW te worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er zijn vragen gesteld in het licht van artikel 12 OLW, toen er nog sprake van een <emphasis role="italic">imperatieve</emphasis> weigeringsgrond was. De rechtbank had toen geen andere optie dan de overlevering te weigeren, indien een weigeringsgrond zich voordeed. Dat kan thans wel, omdat er na de herimplementatie sprake is van een <emphasis role="italic">facultatieve</emphasis> weigeringsgrond. </para>
      <para>De opgeëiste persoon stond zowel in eerste aanleg als in hoger beroep als voortvluchtig te boek. In een eerdere overleveringszaak waarin een gelijksoortige situatie aan de orde was, heeft de Italiaanse officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat hij verwachtte dat de opgeëiste persoon een nieuw proces zou krijgen. </para>
      <para>In deze zaak hebben de Italiaanse autoriteiten niet vooruit willen lopen op de beslissing van het Gerechtshof op een eventuele verzetsprocedure die door de opgeëiste persoon kan worden ingesteld. Dat laat onverlet dat hij een verzoek om een nieuw proces kan indienen en alleen als kan worden aangetoond dat de opgeëiste persoon wel aanwezig had kunnen zijn bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep, en dus zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen, dan zal hij geen nieuw proces krijgen. Indien niet kan worden aangetoond dat de opgeëiste persoon aanwezig had kunnen zijn, dan kan hij een nieuw proces krijgen. Gelet daarop kan de rechtbank afzien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.  . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De OLW is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken. </para>
    <para />
    <para>2. In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. </para>
    <para>Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de hiervoor in de inleiding bedoelde omstandigheden (genoemd in artikel 12, sub a tot en met c, OLW danwel artikel 12, sub d, OLW) heeft voorgedaan. </para>
    <para />
    <para>3. Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
    <para />
    <para>4. Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.  </para>
    <para />
    <para>5. In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doet van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.<footnote-ref linkend="_c1205203-a911-4613-a92c-ac8b99987942" /></para>
    <para />
    <para>6. In het kader van de in overweging 4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.</para>
    <para>Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie<footnote-ref linkend="_e58c0926-772f-46ee-a971-dc8fc5fb9a38" /> of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.<footnote-ref linkend="_1d41bbeb-7b07-455d-85f1-3a2f8bfad5b7" /> Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.<footnote-ref linkend="_6af5fed6-9543-47d9-a113-d9a446cca1cd" /></para>
    <para />
    <para>7. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.<footnote-ref linkend="_b79622b7-fb5d-476c-916b-ad4a389278b6" /></para>
    <para />
    <para>8. Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4 – 7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
    <para />
    <para>9. Zoals de rechtbank reeds in de inleiding heeft vastgesteld, strekt het EAB tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.</para>
    <para />
    <para>10. Uit de hiervoor genoemde informatie blijkt voorts dat de in artikel 12, sub d, OLW genoemde omstandigheid zich niet voordoet. De Italiaanse justitiële autoriteiten hebben weliswaar een verzetgarantie verstrekt, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat dat er sprake is van een onvoorwaardelijke garantie. </para>
    <para />
    <para>11. Blijkens de verstrekte informatie gaat er na de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië een termijn lopen waarbinnen hij kan verzoeken om een nieuw proces dat in zijn aanwezigheid zal worden gevoerd. Voorwaarde voor het verkrijgen van een nieuw proces is klaarblijkelijk op grond van het toepasselijke artikel 175 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering, dat het bewijs ontbreekt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kennis heeft gehad van het proces of de beslissing die buiten zijn aanwezigheid is gevoerd of uitgesproken. </para>
    <para />
    <para>12. Vast staat dat de opgeëiste persoon als ‘voortvluchtig’ te boek staat in Italië. Dit zou er op kunnen wijzen dat hij niet daadwerkelijk kennis heeft gehad van het proces in hoger beroep en/of het arrest dat is gewezen. Er zijn echter, ook na daartoe strekkende vragen door de rechtbank, geen gegevens verstrekt over de vraag of de opgeëiste persoon overigens kennis heeft gehad of kunnen hebben van de procedure in hoger beroep dan wel de beslissing in hoger beroep. In het bijzonder ontbreken gegevens met betrekking tot (de wijze van) betekening van de datum en de plaats van de zitting, of het verstrekken van de uitspraak. </para>
    <para />
    <para>13. Tegen die achtergrond kan de rechtbank (anders dan in de door de officier van justitie genoemde eerdere overleveringszaak) niet vaststellen dat de opgeëiste persoon indien hij na zijn overlevering aan Italië verzet instelt, daadwerkelijk een nieuw proces kan krijgen. Van een onvoorwaardelijke verzetgarantie kan niet worden gesproken, gelet op hetgeen door de uitvaardigende justitiële autoriteit is meegedeeld over de toepasselijke Italiaanse regeling.</para>
    <para />
    <para>14. Bij gebreke van nadere gegevens, in het bijzonder met betrekking tot (de wijze van) betekeningen van de datum en plaats van de zitting, of het verstrekken van de uitspraak, kan voorts niet worden vastgesteld of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in dit geval bij overlevering voldoende zullen zijn gewaarborgd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren.  </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich voordoet, dient de overlevering te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 12 OLW. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">7.	Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> alias <emphasis role="bold">[alias opgeëiste persoon 1]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Milan </emphasis>(Italië).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP </emphasis>het bevel gevangenhouding.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. A.K. Glerum,				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. van Mourik en M.T.C. de Vries,                     			   	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,	                         		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 20 mei 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9ef3dc54-bfa3-416e-b906-a1ac9e64b6df" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2020:5319</para>
  </footnote>
  <footnote id="_34cf0ceb-8af0-4d45-a22b-402c0c2f504a" label="2">
    <para> ECLI:NL:GHAMS:2019:729</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1205203-a911-4613-a92c-ac8b99987942" label="3">
    <para> HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, <emphasis role="underline">ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&amp;docid=178582&amp;pageIndex=0&amp;doclang=nl&amp;mode=lst&amp;dir=&amp;occ=first&amp;part=1&amp;cid=102487)</emphasis>(<emphasis role="italic">Dworzecki</emphasis>), punt 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e58c0926-772f-46ee-a971-dc8fc5fb9a38" label="4">
    <para>
      <emphasis role="italic">Dworzecki</emphasis>, punt 51.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d41bbeb-7b07-455d-85f1-3a2f8bfad5b7" label="5">
    <para> HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>), punt 52.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6af5fed6-9543-47d9-a113-d9a446cca1cd" label="6">
    <para>
      <emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>, punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b79622b7-fb5d-476c-916b-ad4a389278b6" label="7">
    <para> HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (<emphasis role="italic">Ardic</emphasis>), punt 74.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>