<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:2536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-03T13:20:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/806</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:2536">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:2536</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-28T11:15:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:2536 Rechtbank Amsterdam , 17-05-2021 / 21/806</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:2536:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig. Wob-verzoek. Beslistermijn is overschreden. Voorgestelde afhandeltermijn van verweerder loopt af binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden. Geen reden om af te wijken van de gebruikelijke beslistermijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:2536:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 21/806</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de besloten vennootschap TMG Landelijke Media B.V., eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam 1] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [naam 2] ),</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op met de brief van 3 februari 2021, door de rechtbank ontvangen op </para>
      <para>5 februari 2021, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    <para>2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_d5b95dba-00a0-4202-b29c-e014189424df" />Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.<footnote-ref linkend="_f1995a07-2cf4-4099-8dae-3b9810cf87a3" /></para>
    <para>3. Eiseres heeft op 20 december 2019 een Wob-verzoek ingediend. Hierin verzoekt zij – kortgezegd - om informatie omtrent de wijzigingen van het erfpachtstelsel. De rechtbank overweegt dat verweerder binnen vier weken op het Wob-verzoek moet beslissen,<footnote-ref linkend="_2854e721-a510-4cb9-ac1d-97ecd0035ba5" /> tenzij verweerder binnen die termijn aangeeft dat meer tijd nodig is om te beslissen op het verzoek. In dat geval kan de termijn met vier weken worden verlengd.<footnote-ref linkend="_91dd1de2-d7c9-4ad1-8fbf-95b4d2e42b64" /> Met de brief van </para>
    <parablock>
      <para>30 december 2019 heeft verweerder ontvangst van het verzoek bevestigd en de beslistermijn verlengd met vier weken. Dat betekent dat verweerder in beginsel uiterlijk op 14 februari 2020 op het verzoek had moeten reageren. Verweerder heeft dat niet gedaan. Met de brief van </para>
      <para>8 januari 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens is eiseres op </para>
      <para>5 februari 2021 in beroep gegaan wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt met partijen vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan.</para>
    <para>5. Het beroep is dus gegrond. </para>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_ae5b6463-e2bd-4a78-aef8-6988b404f6d5" /> In het verweerschrift van 9 maart 2021 heeft verweerder verklaard dat er sprake is van een zeer omvangrijk Wob-verzoek. Gezien de omvang en reikwijdte van het verzoek is er in overleg met eiseres besloten om het wob-verzoek te splitsen in vier deelbesluiten. Op 17 november 2020 heeft verweerder het eerste deelbesluit, genaamd ‘VES’ genomen. De overige drie delen van het besluit zijn nog in behandeling bij verweerder. Voor het tweede deel van het besluit, genaamd ‘Ameo,’ is verweerder bezig om de documenten te verzamelen en te beoordelen. Voor een aantal documenten moet verweerder bij derde-belanghebbende zienswijzen vragen. Verweerder verwacht dat de zienswijzeprocedure drie weken in beslag neemt. Verweerder verwacht een daarna een week nodig te hebben om het besluit op te stellen en openbaar te maken. In totaal heeft verweerder vanaf 9 maart 2021 ongeveer zes weken nodig om een besluit te nemen op het tweede deelverzoek. Het derde deel van het besluit, genaamd ‘Commissie Schoon Schip,’ is volgens verweerder minder omvangrijk (40 a 50 documenten). Deze documenten moeten nog wel worden getoetst aan de uitzonderingsgronden van de Wob en op deze onderdelen onleesbaar worden gemaakt. Voor dit onderdeel moet een zienswijzeprocedure plaatsvinden. Verweerder verwacht voor het afronden van het derde deelbesluit ook zes weken nodig te hebben. Het vierde onderdeel, genaamd ‘Commissie Franck en Frijns’ is wel weer zeer omvangrijk (ongeveer 500 documenten). Deze documenten moeten worden getoetst aan de uitzonderingsgronden in de Wob en er zal zienswijzen aan derde belanghebbenden moeten worden gevraagd. Gezien de werkzaamheden die de voorgaande deelbesluit met zich meebrengen verzoekt verweerder de rechtbank om een afhandeltermijn van 10 weken vanaf 9 maart 2021, oftewel uiterlijk 18 mei 2021. Het is volgens verweerder redelijkerwijs niet mogelijk om deze besluiten in kortere termijnen te nemen en bekend te maken en daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen. De rechtbank stelt vast dat deze afhandeltermijn afloopt binnen twee weken na de dag waarop deze wordt verzonden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de gebruikelijke beslistermijn. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alle deelbesluiten moet nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen <emphasis role="bold">twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak</emphasis> een besluit op de aanvraag bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑; en,</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
  </section>
  <footnote id="_d5b95dba-00a0-4202-b29c-e014189424df" label="1">
    <para> Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1995a07-2cf4-4099-8dae-3b9810cf87a3" label="2">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2854e721-a510-4cb9-ac1d-97ecd0035ba5" label="3">
    <para> Artikel 6, eerste lid, van de Wob.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91dd1de2-d7c9-4ad1-8fbf-95b4d2e42b64" label="4">
    <para> Artikel 6, tweede lid, van de Wob.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae5b6463-e2bd-4a78-aef8-6988b404f6d5" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>