<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:1818</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-22T13:15:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13.751.169-21</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1818">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1818</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-22T13:11:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:1818 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2021 / 13.751.169-21</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1818:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering, Polen, executie-EAB </para>
      <para />
      <para>Inwerkingtreding van de Wet van 3 maart 2021 tot her implementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet) op 1 april 2021</para>
      <para />
      <para>Artikel 12 OLW is gewijzigd. De in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond heeft nu een facultatief karakter.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de processen die tot de vonnissen hebben geleid. De vonnissen zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.</para>
        <para>Uit het EAB volgt dat de oproepingen voor deze zittingen telkens naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres zijn gezonden, maar niet door haar in ontvangst zijn genomen. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon desgevraagd laten weten dat zij inderdaad op enig moment haar adres heeft doorgegeven op het politiebureau, maar dat zij vervolgens niets meer heeft vernomen. </para>
        <para>Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen staan dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wist van de strafrechtelijke procedures die tegen haar liepen en dat dus ook niet kan worden gezegd dat zij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van haar aanwezigheidsrecht. </para>
        <para>De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat in deze zaken sprake was van een overeenkomst tussen de opgeëiste persoon en de Poolse officier van justitie op grond van artikel 335 van het Poolse Wetboek van Strafvordering. De Poolse autoriteiten maken geen melding van een dergelijke overeenkomst, terwijl de door hen verschafte informatie daartoe ook onvoldoende aanknopingspunten biedt.</para>
        <para>De rechtbank zal daarom de overlevering ten aanzien van de vonnissen 1, 3 en 4 weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1818:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13.751.169-21</para>
      <para>RK nummer: 21/809</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 april 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op <?linebreak?>15 december 2020 door <emphasis role="italic">the District Court of Lublin</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd [naam detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is door middel van telehoren gehoord en is bijgestaan door haar raadsvrouw, mr. F.S. Baardman, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of Chełm</emphasis> van 24 januari 2013 met zaaknummer <?linebreak?>II K 383/12;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of Chełm</emphasis> van 8 oktober 2014 met zaaknummer <?linebreak?>II K 126/14;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of Chełm</emphasis> van 19 juni 2019 met zaaknummer <?linebreak?>II K 865/18;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">judgment of the Provincial Court of Chełm</emphasis> van 26 juli 2019 met zaaknummer <?linebreak?>VII K 61/19.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>twee jaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>twee jaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>één jaar en zes maanden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>zes maanden,</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van deze straffen resteren volgens het EAB nog</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>tien maanden en 15 dagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>twee jaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>één jaar, vijf maanden en 29 dagen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>zes maanden. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW  </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1</nr>
        <para>De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2</nr>
        <parablock>
          <para>In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij </para>
          <para>het proces dat tot de beslissing heeft geleid. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3</nr>
        <para>Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.4</nr>
        <para>Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.5</nr>
        <para>In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van het recht van een verdachte om in </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.<footnote-ref linkend="_0309b3d5-8dd2-487e-9f51-14c105cb5537" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.6</nr>
        <para>In het kader van de in overweging 4.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie<footnote-ref linkend="_66bc7c29-f339-4add-9416-a6c160f08eb2" /> of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.<footnote-ref linkend="_fa6b06f7-c23c-498f-9800-c133c851ac55" /> Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.<footnote-ref linkend="_c7966205-8020-453b-b594-ae1cfc8fb57f" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.7</nr>
        <para>De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.<footnote-ref linkend="_3b53e7a8-7e21-48cb-84a6-2e336382dede" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.8</nr>
        <para>Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.1.4 - 4.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met f, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW.</para>
        <para>Ten aanzien van vonnis 2 heeft zij laten weten dat – hoewel een omzettingsbeslissing niet valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW – de omzetting van de voorwaardelijk opgelegde straf plaatsvond in het kader van een strafprocedure, waarbij de opgeëiste persoon niet aanwezig was. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van vonnissen 1, 3 en 4 heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon was niet aanwezig op de zittingen die tot deze vonnissen hebben geleid, terwijl ook geen sprake was van één van de in artikel 12 onder a tot en met d OLW genoemde omstandigheden. De opgeëiste persoon is niet in persoon gedagvaard voor deze zittingen. De oproepingen zijn naar haar adres gezonden, maar niet door haar in ontvangst genomen. Niet is vast komen te staan dat zij wist van de strafrechtelijke procedure. Zij is ook niet door een gemachtigd advocaat bijgestaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van vonnis 2 heeft te gelden dat de opgeëiste persoon in persoon op de zitting is verschenen. De omzettingsbeslissing die nadien is gewezen en waardoor de voorwaardelijke opgelegde straf in een onvoorwaardelijke straf is omgezet, valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van vonnissen 1, 3 en 4 heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. Gelet op de gang van zaken, was er telkens sprake van een overeenkomst in de zin van het artikel 335 van het Poolse Wetboek van Strafvordering. De opgeëiste persoon is akkoord gegaan met de op te leggen straf. Zij heeft vervolgens een adres opgegeven waar zij bereikbaar zou zijn, waarna zij te horen heeft gekregen dat zij op dat adres ook bereikbaar moet zijn. Onder deze omstandigheden moet zij op de hoogte worden geacht te zijn van het feit dat er een strafrechtelijke procedure tegen haar liep. In dit verband wordt verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad over het aanwezigheidsrecht in het licht van artikel 6 van het Europees van de Rechten van de Mens.<footnote-ref linkend="_3e5c830f-a716-47d4-94b9-1ede06842bed" /> Hieruit volgt dat als een verdachte weet dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem loopt en hij niet op de zitting verschijnt, er mag worden aangenomen dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is ten aanzien van vonnis 2 van oordeel dat artikel 12 OLW niet in de weg staat aan de overlevering. De omzettingsbeslissing valt immers niet onder de reikwijdte van artikel</para>
        <para>12 OLW. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd doet hier niet aan af.</para>
        <para>De rechtbank overweegt ten aanzien van vonnissen 1, 3 en 4 het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon is niet in persoon verschenen bij de processen die tot deze vonnissen hebben geleid. De vonnissen zijn verder ook gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat de oproepingen voor deze zittingen telkens naar het door haar opgegeven adres zijn gezonden, maar niet door haar in ontvangst zijn genomen. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon desgevraagd laten weten dat zij inderdaad op enig moment haar adres heeft doorgegeven op het politiebureau, maar dat zij vervolgens niets meer heeft vernomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen staan dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk wist van de strafrechtelijke procedures die tegen haar liepen en dat dus ook niet kan worden gezegd dat zij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van haar aanwezigheidsrecht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat in deze zaken sprake was van een overeenkomst tussen de opgeëiste persoon en de Poolse officier van justitie op grond van artikel 335 van het Poolse Wetboek van Strafvordering. De Poolse autoriteiten maken geen melding van een dergelijke overeenkomst, terwijl de door hen verschafte informatie daartoe ook onvoldoende aanknopingspunten biedt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal daarom de overlevering ten aanzien van de vonnissen 1, 3 en 4 weigeren op grond van artikel 12 OLW.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende autoriteit heeft het feit dat ten grondslag ligt aan vonnis 2 niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 Overleveringswet</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat de straf die in vonnis 2 is opgelegd in 2014 in eerste instantie voorwaardelijk is opgelegd. In 2019 is echter de tenuitvoerlegging van die straf bevolen. De opgeëiste persoon was daarbij niet aanwezig en daarom is niet duidelijk op welke grondslag dit is gebeurd. Hoewel de tenuitvoerleggingsbeslissing op zich geen behandeling ten gronde is, is een dergelijke beslissing wel gerelateerd aan een beslissing in een andere strafzaak. Daarom is artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wel relevant. Het is de vraag of de strafzaak die tot de tenuitvoerleggingsbeslissing heeft geleid is behandeld door een onafhankelijk gerecht. In het licht van de zorgelijke ontwikkelingen in Polen moet dit tot weigering van de overlevering leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de Herimplementatiewet die op 1 april 2021 in werking is getreden, is ook artikel 11 OLW gewijzigd. Het eerste lid van dit artikel luidt nu als volgt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aan een Europees aanhoudingsbevel wordt geen gevolg gegeven in gevallen, waarin naar het oordeel van de rechtbank zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan dat de opgeëiste persoon na overlevering een reëel gevaar loopt dat zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde grondrechten zullen worden geschonden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daargelaten de vraag of de door de raadsvrouw geschetste situatie wel ter beoordeling van de rechtbank staat, kan hoe dan ook niet worden geconcludeerd dat de door het Handvest gewaarborgde grondrechten zijn geschonden. Er bestaan immers geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden dat haar recht op een onafhankelijk gerecht is geschonden en zij in 2019 in een eventuele nieuwe strafzaak geen eerlijk proces heeft gehad </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu ten aanzien van vonnis 2  is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor dit vonnis te worden toegestaan. Voor de overige vonnissen (1, 3 en 4) moet zij worden geweigerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van<emphasis role="bold"> [opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court of Lublin</emphasis> (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd in vonnis 2.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> voor zover het EAB betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd in vonnissen 1, 3 en 4.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.M. van Waterschoot en E.G.M.M. van Gessel, 		   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,	                         		    griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_0309b3d5-8dd2-487e-9f51-14c105cb5537" label="1">
    <para> HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, <emphasis role="underline">ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&amp;docid=178582&amp;pageIndex=0&amp;doclang=nl&amp;mode=lst&amp;dir=&amp;occ=first&amp;part=1&amp;cid=102487)</emphasis>(<emphasis role="italic">[naam 1]</emphasis>), punt 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66bc7c29-f339-4add-9416-a6c160f08eb2" label="2">
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [naam 1]
      </emphasis>, punt 51.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa6b06f7-c23c-498f-9800-c133c851ac55" label="3">
    <para>HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>), punt 52.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7966205-8020-453b-b594-ae1cfc8fb57f" label="4">
    <para>
      <emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>, punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b53e7a8-7e21-48cb-84a6-2e336382dede" label="5">
    <para>HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (<emphasis role="italic">[naam 2]</emphasis>), punt 74.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e5c830f-a716-47d4-94b9-1ede06842bed" label="6">
    <para> ECLI:NL:HR:2006:AW2522 en ECLI:NL:HR:2002:AD5163</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>