<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:1803</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-23T17:12:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751750-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1803">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1803</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-17T09:56:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:1803 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2021 / 13/751750-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1803:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools overleveringsverzoek ten behoeve van executie. Inwerkingtreding Herimplementatie met ingang van 1 april 2021. Wijziging artikel 7 OLW en artikel 12 OLW. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Een kaderbesluitconforme uitleg van het gewijzigde artikel 7 OLW brengt mee dat lid 1 een facultatieve weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit.[1] Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. </para>
        <para>De rechtbank ziet in de onderhavige situatie aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft – het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen – en dat de overlevering toch al toelaatbaar is voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen en dat de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen ook in het belang van de opgeëiste persoon is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.  </para>
      <para />
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Hij heeft immers twee dagen in voorarrest doorgebracht, naar blijkt uit de genoemde reststraf. De rechtbank acht het in dat licht niet aannemelijk dat dat hij niet in kennis is gesteld van de verdenking jegens hem, mede in aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over vonnis III wilde beantwoorden. Daarnaast heeft hij in het kader van de pre-trial procedure op 22 augustus 2014 zijn adres aan de Poolse autoriteiten moeten verstrekken en is hem meegedeeld wat, in het kader van de procedure, de juridische gevolgen zouden zijn als hij van adres zou wisselen zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen. De rechtbank neemt in aanmerking dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over het proces dat tot vonnis III heeft geleid wilde beantwoorden. Ook overigens beschikt zij niet over concrete aanknopingspunten die afbreuk zouden kunnen doen aan de conclusie dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht en van de strafprocedure. </para>
      <para />
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in de onderhavige situatie worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij door desondanks naar Nederland te vertrekken uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1803:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751750-18</para>
      <para>RK nummer: 20/2667</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 15 april 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 mei 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 3 augustus 2018 door <emphasis role="italic">the District Court in Włocławek</emphasis> (Polen)</para>
      <para>en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [1984], </para>
      <para>	postadres: [adres 1] te [plaats 1],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is door middel van telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, <?linebreak?>mr. S. Guman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenuitspraak van 13 augustus 2020 is het onderzoek op de zitting heropend onder gelijktijdige schorsing, in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 1 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. Diependaal. De opgeëiste persoon is door middel van telehoren gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, <?linebreak?>mr. S. Guman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met instemming van de officier van justitie en de raadsman hervat de rechtbank het onderzoek </para>
      <para>in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van <?linebreak?>13 augustus 2020. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2.  	Ten aanzien van de beslistermijn en detentie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 april 2021 is de Wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet)<footnote-ref linkend="_0e076bc2-60ef-4f41-a204-b58abad5773f" /> (hierna: Herimplementatiewet) in werking getreden. De Herimplementatiewet kent een nieuwe regeling voor de beslistermijn. Deze regeling houdt in dat wanneer de rechtbank binnen 90 dagen nog geen uitspraak heeft kunnen doen op het verzoek tot overlevering, zij de beslistermijn enkel nog (telkens) kan verlengen indien zij in afwachting is van een uitspraak van het Hof van Justitie over prejudiciële vragen (artikel 22, vierde lid, OLW) of indien er een onderzoek is ingesteld naar een (mogelijk) reëel gevaar van een schending van de grondrechten zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW (artikel 22, vijfde en zesde lid, OLW). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Herimplementatiewet bevat geen overgangsregeling en heeft onmiddellijke werking. Als gevolg daarvan zijn ook de nieuwe leden 4-6 van artikel 22 OLW van toepassing “op nieuwe situaties en op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties”.<footnote-ref linkend="_1cd40069-e0ad-4698-a22b-edbda89c66ee" /> Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat onder “op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties” niet zijn begrepen gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet de beslistermijn al voor onbepaalde tijd was verlengd op grond van het kaderbesluitconforme uitgelegde oude lid 4 van die bepaling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de onderhavige zaak is de beslistermijn van 90 dagen verstreken en heeft de rechtbank de beslistermijn niet voor onbepaalde tijd verlengd vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag bestaat om de gevangenneming te bevelen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van</para>
      <para>Vonnis I: <emphasis role="italic">the cumulative sentence</emphasis> van <emphasis role="italic">the Regional Court in Wloclawek</emphasis> van 5 juni 2013 (referentie: II K 2137/12). </para>
      <para>	A – <emphasis role="italic">verdict issued by the Regional Court in Lipno</emphasis> van 22 juli 2009 </para>
      <para>(referentie: II K 526/09). </para>
      <para>	B -  <emphasis role="italic">the verdict issued by the Regional Court in Lipno</emphasis> van 25 februari 2010</para>
      <para>(referentie: II K 8/10).</para>
      <para>Vonnis II:<emphasis role="italic"> the verdict issued by the Regional Court in Wloclawek </emphasis>van 26 juli 2013<emphasis role="italic">,</emphasis></para>
      <para>(Referentie: II K 877/13).</para>
      <para>Vonnis III: <emphasis role="italic">the verdict issued by the Regional Court in Lipno</emphasis> van 19 februari 2016,</para>
      <para>Referentie: II K 656/14.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het (verzamel)vonnis met zaaknummer II K 2137/12 heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij deze vonnissen opgelegde vrijheidsstraffen voor de duur van </para>
      <para>vonnis I : één jaar en vijf maanden, geheel resterend;</para>
      <para>vonnis II : één jaar, geheel resterend;</para>
      <para>vonnis III : één jaar, waarvan 11 maanden en 28 dagen resteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.1</nr>
        <para>De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader van onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.2</nr>
        <para>In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.3</nr>
        <para>Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.4</nr>
        <para>Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.  </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.5</nr>
        <para>In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van het recht van een verdachte om in </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.<footnote-ref linkend="_09d1dbe3-8e83-4b8f-8266-8bcb68c12a4e" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.6</nr>
        <para>In het kader van de in overweging 5.1.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie<footnote-ref linkend="_3a1c0000-a5bc-40cf-b4c7-9a78fef73710" /> of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.<footnote-ref linkend="_325cfbd3-76a0-420e-8567-22b42c84bd26" /> Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.<footnote-ref linkend="_88745ea2-6f83-450e-8bf6-f70e46e2d801" /></para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.7</nr>
        <para>De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.<footnote-ref linkend="_903dfdcc-7f69-4522-9810-543d139b6914" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.8</nr>
        <para>Komt de rechtbank na de in de overwegingen 5.1.4 - 5.1.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met f, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd ten aanzien van vonnissen II en III, omdat het gaat om verstekvonnissen, zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering enkel kan worden geweigerd ten aanzien van zaak III, met zaaknummer II K 656/14. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de vonnissen A en B met zaaknummers II K 526/09 en II K 8/10, die aan het </para>
        <para>verzamelvonnis I ten grondslag liggen, blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot de vonnissen hebben geleid, maar dat hij wél in persoon is gedagvaard. Dat betekent dat zich de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW heeft voorgedaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet aan </para>
        <para>de orde. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van vonnis II met zaak nummer II K 877/13 blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon in persoon bij het proces is verschenen dat tot het vonnis heeft geleid. De opgeëiste persoon heeft dit ook bij zijn verhoor in het kader van zijn voorgeleiding bevestigd. Ook hier staat artikel 12 OLW dus niet aan de overlevering in de weg. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt ten aanzien van vonnis III het volgende. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Poolse justitiële autoriteit heeft met betrekking tot de procedure die heeft geleid tot dit vonnis, het volgende meegedeeld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">[opgeëiste persoon] was not present at the court hearings on 14th January 2015, 27th February 2015, 8th April 2015, 18th September 2015, 13th November 2015, 30th December 2015 and 19th February 2016. Notifications of the dates of the hearings were sent to the address: [plaats 2], [adres 2]. This address was indicated by [opgeëiste persoon] in person during pre-trial procedure in this case (22 August 2014). He was then advised that „If a party to the proceedings has changed his place of residence and has failed to notify the body before which the proceedings are pending of their new address or if they have not resided under a designated address, a document dispatched to the address last designated by such a party shall be considered to have been served" (Article 139 of Polish Code of Criminal Procedure). Notifications were not collected by [opgeëiste persoon]. According to the Police, he had left to the Netherlands because of fear to be convicted.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opgeëiste persoon is aldus niet in persoon bij het proces verschenen dat tot vonnis III heeft geleid en evenmin heeft zich één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op voornoemde informatie kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht, alsmede van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Hij heeft immers twee dagen in voorarrest doorgebracht, naar blijkt uit het de hiervoor onder 3. genoemde reststraf. De rechtbank acht het in dat licht niet aannemelijk dat dat hij niet in kennis is gesteld van de verdenking jegens hem, mede in aanmerking genomen dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over vonnis III wilde beantwoorden. Daarnaast heeft hij in het kader van de <emphasis role="italic">pre-trial procedure</emphasis> op 22 augustus 2014 zijn adres aan de Poolse autoriteiten moeten verstrekken en is hem meegedeeld wat, in het kader van de procedure, de juridische gevolgen zouden zijn als hij van adres zou wisselen zonder de autoriteiten hiervan op de hoogte te stellen. De rechtbank neemt in aanmerking dat de opgeëiste persoon tijdens zijn voorgeleiding in het kader van de overleveringsprocedure desgevraagd heeft meegedeeld dat hij op advies van zijn advocaat geen vragen over het proces dat tot vonnis III heeft geleid wilde beantwoorden. Ook overigens beschikt zij niet over concrete aanknopingspunten die afbreuk zouden kunnen doen aan de conclusie dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht en van de strafprocedure. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in de onderhavige situatie worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij door desondanks naar Nederland te vertrekken uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de in vonnissen II en III genoemde feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW.  De feiten vallen op deze lijst onder nummers 20 en 23, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Oplichting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">	van betaalmiddelen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten waarop de vonnissen A en B zien, niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien het feit in vonnis A is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot het niet betalen van kinderalimentatie, vonnis B, heeft het volgende te gelden. Indien niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon daarbij (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn kind of kinderen, kan niet worden gezegd dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.<footnote-ref linkend="_d44f2053-cf01-4cfa-9d4f-af03df8592e5" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet is echter ook artikel 7 OLW gewijzigd. </para>
        <para>Voor zover deze bepaling uitvoering geeft aan artikel 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ brengt een kaderbesluitconforme uitleg van deze gewijzigde bepaling mee dat lid 1 een <emphasis role="italic">facultatieve</emphasis> weigeringsgrond bevat met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit.<footnote-ref linkend="_863ad318-4f9e-47e3-b1f1-50a30a484b7c" /> Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet in de onderhavige situatie aanleiding om van de weigering af te zien, omdat zij van oordeel is dat onvoldoende aanleiding voor weigering bestaat. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft – het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen andere onderdanen van Polen – en dat de overlevering toch al toelaatbaar is voor de tenuitvoerlegging van andere in Polen opgelegde vrijheidsstraffen en dat de gezamenlijke afdoening van de openstaande vrijheidsstraffen ook in het belang van de opgeëiste persoon is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">7.  	Hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft betoogd dat de algemene situatie in Polen als het gaat om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, dusdanig slecht is dat overlevering per definitie een schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon oplevert. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>In haar uitspraak van 27 januari 2021<footnote-ref linkend="_d956ee33-52cb-45dd-bce4-a083321b12ea" /> heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 2020 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit)</emphasis>)<footnote-ref linkend="_93145315-0bb2-43a3-a184-35417d0a1de3" /> geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat voormeld arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naast deze gebreken zijn er geen gegevens voorhanden die er toe zouden kunnen leiden dat de uitvaardigende autoriteit niet als uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het oordeel dat sprake is van systemische  gebreken brengt mee dat deze gebreken, ten tijde van het aan het EAB ten grondslag liggende vonnis, ook op het niveau van de in deze zaak bevoegde rechterlijke instantie negatieve gevolgen kunnen hebben gehad. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat betekent dat de rechtbank in de onderhavige zaak nog moet beoordelen of er, gelet op de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd en de feitelijke context waarin het EAB is uitgevaardigd, en rekening houdend met de gegevens die haar eventueel door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zijn verstrekt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad in Polen, omdat de structurele en/of fundamentele gebreken die in Polen ten tijde van de uitvaardiging van het EAB bestonden, in zijn concrete geval afbreuk hebben gedaan aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die het aan het EAB ten grondslag liggende vonnis heeft gewezen. De rechtbank stelt vast dat hiervan niet is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 285 Wetboek van Strafrecht 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the District Court in Włocławek</emphasis> (Polen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. M. van Mourik,	 			                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. N.M. van Waterschoot en E.G.M.M. van Gessel, 		   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens,	                         		     griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>								De jongste rechter is buiten staat deze </para>
      <para>								uitspraak mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0e076bc2-60ef-4f41-a204-b58abad5773f" label="1">
    <para>
      <emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 125.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1cd40069-e0ad-4698-a22b-edbda89c66ee" label="2">
    <para>
      <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis> 2020/21, 35535, 7, p. 24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09d1dbe3-8e83-4b8f-8266-8bcb68c12a4e" label="3">
    <para> HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, <emphasis role="underline">ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&amp;docid=178582&amp;pageIndex=0&amp;doclang=nl&amp;mode=lst&amp;dir=&amp;occ=first&amp;part=1&amp;cid=102487)</emphasis>(<emphasis role="italic">Dworzecki</emphasis>), punt 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a1c0000-a5bc-40cf-b4c7-9a78fef73710" label="4">
    <para>
      <emphasis role="italic">Dworzecki</emphasis>, punt 51.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_325cfbd3-76a0-420e-8567-22b42c84bd26" label="5">
    <para> HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>), punt 52.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88745ea2-6f83-450e-8bf6-f70e46e2d801" label="6">
    <para>
      <emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Hamburg</emphasis>, punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_903dfdcc-7f69-4522-9810-543d139b6914" label="7">
    <para> HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (<emphasis role="italic">Ardic</emphasis>), punt 74.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d44f2053-cf01-4cfa-9d4f-af03df8592e5" label="8">
    <para> Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 8 oktober 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7548</para>
  </footnote>
  <footnote id="_863ad318-4f9e-47e3-b1f1-50a30a484b7c" label="9">
    <para> Vgl. HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:530 (<emphasis role="italic">Popławski I</emphasis>), punt 21. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d956ee33-52cb-45dd-bce4-a083321b12ea" label="10">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2021:179</para>
  </footnote>
  <footnote id="_93145315-0bb2-43a3-a184-35417d0a1de3" label="11">
    <para> Zaken C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU (gevoegd), ECLI:EU:C:2020:1033</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>