<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2021:1609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-18T20:51:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/845187-18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2021/0926 met annotatie van </rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1609">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:1609</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-11T16:12:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2021:1609 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2021 / 13/845187-18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1609:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door in 2018 opzettelijk een onjuiste kwartaalaangifte omzetbelasting te doen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2021:1609:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/845187-18 (Promis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 2 april 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [B.V. 1] ,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd op het [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2021. Van verdachte (hierna: [B.V. 1] ) is geen vertegenwoordiger verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.I.M. Geertsema.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Aanleiding en beschuldiging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Belastingdienst heeft onderzoek gedaan naar een ingediende aangifte omzetbelasting van [B.V. 2] omdat er een opvallend verschil te zien was in de opgegeven omzet vergeleken met de voorgaande kwartalen. Vervolgens is het onderzoek uitgebreid naar [B.V. 1] . Het vermoeden is dat [B.V. 1] op 12 juli 2018 opzettelijk een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tenlastelegging staat in de bijlage.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vindt dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Uit het dossier blijkt dat de door [B.V. 1] geclaimde voorbelasting niet kan worden onderbouwd. [B.V. 1] heeft geen inkopen en geen verkoopomzet. Op de bankrekening van [B.V. 1] komt geen geld binnen, los van terug ontvangen omzetbelasting, en vanaf de bankrekening worden geen betalingen gedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.<footnote-ref linkend="_27958662-b2e8-4172-9b2d-a2c580ceaf33" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 12 juli 2018 is de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2018 van [B.V. 1] binnengekomen bij de Belastingdienst. In de aangifte is voorbelasting geclaimd. [B.V. 1] heeft in de aangifte € 14.763 teruggevraagd van de Belastingdienst. Uit de gegevens van de bankrekening waar [B.V. 1] gebruik van maakt, blijkt dat in de periode van 7 januari 2016 tot 14 februari 2018 geen betalingen of ontvangsten inzake in- of verkoopfacturen zijn geweest.<footnote-ref linkend="_8083d072-d45a-4773-a357-667982a509fb" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 20 juli 2018 heeft de Belastingdienst informatie opgevraagd over de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2018. Op 16 augustus 2018 heeft de Belastingdienst een brief ontvangen met diverse in- en verkoopfacturen van [B.V. 1] , bankafschriften en een specificatie van de voorbelasting over het 2e kwartaal van 2018. De aangeleverde facturen betreffen onder meer drie inkoopfacturen van [B.V. 3] . Het bankrekeningnummer dat op de facturen staat is geen bankrekeningnummer van [B.V. 3] .<footnote-ref linkend="_f574df44-b576-43ef-98c8-2a4cb8b9cb37" /> [B.V. 3] is niet bekend met firma’s van [B.V. 1] .<footnote-ref linkend="_ab388260-d400-47d5-9cf9-775278621e6a" />[B.V. 1] heeft op 16 augustus 2018 een ING bankschrift, gedateerd 7 augustus 2018, aangeleverd bij de Belastingdienst. Het bankrekeningnummer wat op het afschrift staat, is niet van [B.V. 3] . De betalingen aan [B.V. 3] komen niet voor in het van de ING-Bank ontvangen Excelbestand met mutaties op de bankrekening waar [B.V. 1] gebruik van maakte.<footnote-ref linkend="_9ba9bb05-cc51-415b-949f-762ce944f846" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [B.V. 1] heeft op 16 augustus 2018 twee stukken aan de Belastingdienst verstrekt: een factuur gericht aan [B.V. 4] , met een betalingstermijn van 45 dagen en een afschrift van de ING bankrekening van [B.V. 1] , met daarop: "Bijschrijvingen: [B.V. 4] , omschrijving " [B.V. 4] ”<footnote-ref linkend="_b5d39af6-fdd6-4f3f-bc0b-8f57b766a0e9" /> [naam medewerker] , werkzaam bij [B.V. 4] , heeft verklaard dat facturen gericht moeten worden aan één van de negen verkoopbedrijven, niet aan [B.V. 4] Daarnaast hanteert [B.V. 4] een betaaltermijn van 30 dagen en zegt de [naam ] hem niets.<footnote-ref linkend="_aaa4fa52-63d0-4e4e-ae9a-9f0725e6e372" /> In het door ING aangeleverde Excelbestand van de bankrekening die [B.V. 1] gebruikt, staat geen ontvangst van [B.V. 4]<footnote-ref linkend="_867f3b83-5962-484a-b06e-990515c7957b" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewijsoverwegingen</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank vindt dat bewezen kan worden dat [B.V. 1] een onjuiste aangifte omzetbelasting heeft ingediend over het tweede kwartaal van 2018. Uit de gegevens van de bankrekening van [B.V. 1] blijkt dat er geen geld binnenkomt of uitgaat wat betrekking heeft op de betaling van inkoopfacturen of ontvangsten van verkoopfacturen. Er is niet gebleken van enige bedrijvigheid in de vennootschap.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Strafbaarheid van de rechtspersoon</emphasis>
        </para>
        <para>Een rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Het indienen van een onjuiste aangifte omzetbelasting kan worden toegerekend aan [B.V. 1] , omdat deze gedraging in de sfeer van de rechtspersoon gebeurde en ze past in de normale bedrijfsvoering van de B.V. De rechtbank vindt dus bewezen dat de verboden handelingen opzettelijk door [B.V. 1] is gepleegd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Bewezenverklaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.2 bewezen dat </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [B.V. 1] op 12 juli 2018 in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één aangifte voor de omzetbelasting op naam van [B.V. 1] over het tweede kwartaal van het jaar 2018, onjuist heeft gedaan, immers heeft [B.V. 1] in de ingediende aangifte omzetbelasting een onjuist bedrag aan belastbare omzet en terug te ontvangen voorbelasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [B.V. 1] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De strafbaarheid van het feit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [B.V. 1] uitsluit. [B.V. 1] is dan ook strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>7</nr>Motivering van de straf</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">De eis van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vindt dat [B.V. 1] moet worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [B.V. 1] heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door in 2018 opzettelijk een onjuiste kwartaalaangifte omzetbelasting te doen, waarbij een fictief bedrag aan omzet en voorbelasting is opgegeven. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat een bedrijf een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft [B.V. 1] misbruik gemaakt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 5.000 passend en legt die dan ook op aan [B.V. 1] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen straf is gegrond op artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezen verklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold italic">Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon</emphasis>
        <emphasis role="italic">.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte, [B.V. 1] , daarvoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een <emphasis role="bold">geldboete</emphasis> van <emphasis role="bold">€ 5.000,00 (vijfduizend euro)</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. P.P.C.M. Waarts, 	voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.A.E. Somsen en J. Huber, 	rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, 	griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [Bijlage] </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_27958662-b2e8-4172-9b2d-a2c580ceaf33" label="1">
    <para> Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier, volgens de daarin toegepaste nummering. AMB staat voor ambtshandeling, waarbij het steeds gaat om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. DOC staat voor document, waarbij het steeds gaat om geschriften. De inhoud van elk bewijsmiddel wordt alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud daarvan, kennelijk betrekking heeft.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8083d072-d45a-4773-a357-667982a509fb" label="2">
    <para> AMB-007-A en AMB-007-B.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f574df44-b576-43ef-98c8-2a4cb8b9cb37" label="3">
    <para> AMB-026, DOC-026-B, DOC-026-C en DOC-026-D.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab388260-d400-47d5-9cf9-775278621e6a" label="4">
    <para> AMB-035.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ba9bb05-cc51-415b-949f-762ce944f846" label="5">
    <para> AMB-026 en DOC-026-A.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5d39af6-fdd6-4f3f-bc0b-8f57b766a0e9" label="6">
    <para> AMB-026, DOC-021-B en DOC-021-A.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aaa4fa52-63d0-4e4e-ae9a-9f0725e6e372" label="7">
    <para> G-004-01.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_867f3b83-5962-484a-b06e-990515c7957b" label="8">
    <para> AMB-026.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>