<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:7627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-23T08:23:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/676925 / HA ZA 19-1356</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:7627">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:7627</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-15T16:54:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:7627 Rechtbank Amsterdam , 16-12-2020 / C/13/676925 / HA ZA 19-1356</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:7627:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil over ontvlechting familiebedrijf. Onterecht beroep op verrekening. Leningnemer is tekortgeschoten in zijn verbintenissen uit de overeenkomst van geldlening. Hoofdsom ineens opeisbaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:7627:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6f250e32-c276-4f03-8707-70fd6febb13e" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a7d865b6-dc3c-4cf5-97bb-ff85e10b32fa" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/13/676925 / HA ZA 19-1356</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 16 december 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. W. Mollema te Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. S.V. Hardonk te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] B.V. en [gedaagde] B.V. genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 6 december 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties, met producties 1 tot en met 7;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 22 juli 2020, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 november 2020, met de daarin</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>vermelde (proces-)stukken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde] B.V. is de persoonlijke holding van de heer [naam 2] . [eiseres] B.V. is de persoonlijke holding van [naam 1] . De heer [naam 2] en de heer [naam 1] zijn broers van elkaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De heer [naam 2] en de heer [naam 1] hebben gezamenlijk leiding gegeven aan het familiebedrijf [bedrijf] B.V. (hierna [bedrijf] ) en een groot aantal dochtervennootschappen (gezamenlijk de [bedrijf] Groep). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Na een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen de broers over de toekomst van [bedrijf] is de [bedrijf] Groep in twee verschillende tranches (in 2018 en 2019) ontvlochten. Hierbij zijn vennootschappen aan de broers toebedeeld en enige activa ten gelden gemaakt, waarbij de opbrengst tussen beide broers is verdeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In het kader van de ontvlechting heeft [eiseres] B.V. op 27 mei 2019 alle door haar gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijf] aan [gedaagde] B.V. overgedragen en is de heer [naam 1] als bestuurder van [bedrijf] gedefungeerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Als onderdeel van de financiële afwikkeling van de ontvlechting is tussen [eiseres] B.V. en [gedaagde] B.V. op 3 januari 2018 een overeenkomst van geldlening gesloten (hierna de overeenkomst van geldlening), waarbij [eiseres] B.V. een geldlening aan [gedaagde] B.V. heeft verstrekt van € 2.500.000,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Uit hoofde van deze overeenkomst dient [gedaagde] B.V. per kwartaal een bedrag van € 104.167,00 aan [eiseres] B.V. te betalen, alsmede vanaf 1 juli 2019 een contractuele rente van 3,75 procent per jaar over de resterende hoofdsom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Vanaf 1 juli 2019 is [gedaagde] B.V. deze aflossings- en renteverplichtingen integraal nagekomen, met uitzondering van de (eerste) kwartaalbetaling van 1 oktober 2019. [gedaagde] B.V. heeft hierbij een bedrag van € 35.568,71 onbetaald gelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Verder heeft [gedaagde] B.V. op 22 augustus 2019 een bedrag van € 600.000,00 vervroegd afgelost. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Partijen zijn in artikel 5 van de overeenkomst van geldlening, voor zover hierna van belang, het volgende overeengekomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">5. 	Opeisbaarheid</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Indien zich een of meer van de volgende opeisbaarheidsgronden (elk een “Opeisbaarheidsgrond”) voordoet, is de Lening en de nog niet betaalde verschuldigde Rente onmiddellijk opeisbaar, zonder dat, behoudens voor het hierna in Artikel 5.1.2. bepaalde, een betalingsherinnering, ingebrekestelling, kennisgeving of rechterlijke tussenkomst is vereist:</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">een blijvende tekortkoming door Geldnemer, zijnde een tekortkoming die </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">voort blijft duren nadat Geldnemer in gebreke is gesteld met inachtneming </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">van een termijn van twintig (20) Werkdagen om alsnog na te komen, van </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">één of meer verplichtingen uit hoofde van de Artikelen 3 en 4 van deze </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">Overeenkomst; of”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [gedaagde] B.V. is op 8 oktober 2019 door [eiseres] B.V. met verwijzing naar artikel 5.1.2. van de overeenkomst van geldlening in gebreke gesteld ter zake van het onbetaald gelaten bedrag van € 35.568,71.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>
        [gedaagde] B.V. heeft geen gevolg gegeven aan deze sommatie van waarna [eiseres] B.V. op 21 november 2019 met een beroep op artikel 5.1 van de geldleningsovereenkomst de lening en de nog niet betaalde rente op 21 november 2019 in zijn volledigheid heeft opgeëist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Verder correspondentie tussen partijen heeft niet tot een oplossing geleid, reden waarom [eiseres] B.V. op 6 december 2019 onderhavig geschil is opgestart.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Op 24 december 2019 zijn nagenoeg alle vermogensbestanddelen van [eiseres] B.V., naar Seal Beheer B.V. afgesplitst. In dit kader is voornoemde vordering van [eiseres] B.V. op [gedaagde] B.V. uit hoofde van de overeenkomst van geldlening naar Seal Beheer B.V. overgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] B.V. vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] B.V. veroordeelt:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>tot betaling van een bedrag van € 1.623.068,81;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot betaling van de contractuele rente van 3,75 procent over het bedrag genoemd onder a over de periode vanaf 1 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot betaling van een bedrag van € 3.792,23;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot betaling van de contractuele rente van 3,75 procent over het bedrag genoemd onder c, vanaf 27 november 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Zij voert daartoe – kort gezegd – het volgende aan. [gedaagde] B.V. verkeert op grond van artikel 5.1.2. van de overeenkomst van geldlening in verzuim ten aanzien van de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst. Als gevolg van dit verzuim is de resterende hoofdsom, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 juli 2019 van 3,75 procent per jaar, op grond van artikel 5.1 opeisbaar geworden. </para>
        <para>Daarnaast is [gedaagde] B.V. over de vervroegde aflossing van € 600.000,00 – die op 22 augustus 2019 heeft plaatsgevonden – nog de contractuele rente verschuldigd over de periode van 1 juli 2019 tot 21 augustus 2019 en over het eerste kwartaalbedrag van € 68.598,29 nog de contractuele rente verschuldigd over de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019. Deze rentevorderingen van in totaal € 3.792,23 zijn met verwijzing naar artikel 5.1 van de overeenkomst eveneens direct opeisbaar. Opeising heeft op 21 november 2019 plaatsgehad met een sommatietermijn van vijfdagen. Derhalve dient deze rentevordering te worden vermeerderd met de contractuele rente vanaf 27 november 2019.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] B.V. voert verweer. [gedaagde] B.V. stelt zich vooreerst op het standpunt dat niet langer [eiseres] B.V., maar Seal Beheer B.V., een vordering op haar heeft uit hoofde van de overeenkomst van geldlening, zodat de vordering van [eiseres] B.V. reeds om die reden dient te worden afgewezen.</para>
        <para>Voor het geval de rechtbank aan de inhoudelijk behandeling van de vorderingen van [eiseres] B.V. toekomt, stelt [gedaagde] B.V. zich primair op het standpunt dat zij niet in verzuim verkeert ten aanzien van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening, nu zij gerechtigd was over te gaan tot verrekening van een bedrag van € 35.568,71 met de door haar aan [eiseres] B.V. verschuldigde bedragen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening en zij ook verder stipt aan haar verplichtingen uit deze overeenkomst heeft voldaan. Subsidiair meent [gedaagde] B.V. dat [eiseres] B.V. in de gegeven omstandigheden misbruik van bevoegdheid maakt, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt, door de vordering uit de overeenkomst van geldlening in zijn geheel op te eisen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] B.V. een geldlening is aangegaan bij [eiseres] B.V. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] B.V. uit hoofde van deze overeenkomst het door haar van [eiseres] B.V. geleende bedrag aan [eiseres] B.V. dient terug te betalen. De kern van het geschil gaat over de vraag of [gedaagde] B.V. ten aanzien van de geldleningsovereenkomst in verzuim is jegens [eiseres] B.V. en of [eiseres] B.V. om die reden gerechtigd is de geldlening in zijn geheel op te eisen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Lastgeving?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Alvorens toe te komen aan de inhoudelijk beoordeling van de vordering van [eiseres] B.V. dient door de rechtbank te worden beoordeeld of [eiseres] B.V. procesbevoegd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] B.V. heeft, als meest verstrekkend verweer, betwist dat [eiseres] B.V. vorderingsgerechtigd is nu de vordering in verband met de overeenkomst van geldlening naar Seal Beheer B.V. is overgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In reactie hierop heeft [eiseres] B.V. erkend dat de vordering van [eiseres] B.V., na het uitbrengen van haar dagvaarding op 6 december 2019, tot het vermogen van Seal Beheer B.V. is gaan behoren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. Bij de overgang van vorderingen is het uitgangspunt dat alleen de schuldeiser procesbevoegd is. Door de Hoge Raad is evenwel geoordeeld dat na de overgang van de vordering een last tot inning uitdrukkelijk kan worden bedongen of in de overeenkomst opgesloten kan liggen, in dier voege dat de oorspronkelijke schuldeiser bevoegd blijft de vordering in eigen naam ten behoeve van de nieuwe schuldeiser te innen (Vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1496). Nu in onderhavige kwestie [eiseres] B.V. de lopende procedure voortzet, acht de rechtbank dit voldoende om een last tot inning aan te nemen, op grond waarvan [eiseres] B.V. procesbevoegd is en derhalve ook ontvankelijk in haar vorderingen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Opeisbaarheid hoofdsom en daarover verschuldigde rente?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verrekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] B.V. stelt zich op het standpunt dat zij niet in verzuim verkeert ten aanzien van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening, nu zij gerechtigd was over te gaan tot verrekening van deze verplichting met een bedrag van € 35.568,71.</para>
        <para>Zij voert hiertoe aan dat zij a) op grond van artikel 6 van de ontvlechtingsovereenkomst, b) op grond van de bestendige gedragslijn tussen partijen die ziet op meerpartijen verrekening, althans een overeenkomst van cessie, dan wel c) op grond van door [naam 1] jegens [gedaagde] B.V. gepleegde onrechtmatige gedragingen, gerechtigd was verschillende vorderingen te verrekenen met de verplichtingen van [gedaagde] B.V. uit hoofde van de overeenkomst van geldlening. </para>
        <para>Van deze bevoegdheid heeft [gedaagde] B.V. gebruik gemaakt door te verrekenen met haar aflossingsverplichting uit de overeenkomst van geldlening. Dit bedrag van € 35.568,71 is opgebouwd uit i) een vordering van [gedaagde] B.V. op [eiseres] B.V. in verband met de verkoop “OG Emmen” ter hoogte van € 24.647,96, ii) een vordering van Kijlstra B.V. op [naam 1] in verband met door haar ten behoeve van [naam 1] voldane privéonttrekkingen ter hoogte van € 8.377,-- iii) een vordering van Kijlstra B.V. op [naam 1] in verband met door haar ten behoeve van [naam 1] voldane doorlopende kosten (waaronder kosten van een tankpas) van € 2.543,--. </para>
        <para>Het verschil tussen het verrekende bedrag en de aflossingsverplichting is aan [eiseres] B.V. betaald en daarmee heeft [gedaagde] B.V. aan haar kwartaalverplichting uit hoofde van de overeenkomst van geldlening voldaan, aldus [gedaagde] B.V.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] B.V. voert verweer. [eiseres] B.V. erkent dat de doorlopende kosten die door Kijlstra B.V. ten behoeve van [naam 1] zijn voldaan –  de hiervoor vermelde vordering iii) – door [naam 1] aan Kijlstra B.V. dienen te worden vergoed. De overige vorderingen – de hiervoor vermelde vorderingen i) en ii) – worden door [eiseres] B.V. betwist. </para>
        <para>Het feit dat [naam 1] nog een bedrag verschuldigd is aan Kijlstra B.V. brengt volgens [eiseres] B.V. evenwel niet mee dat [gedaagde] B.V. bevoegd is deze vordering van Kijlstra B.V. op [naam 1] te verrekenen met haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening met [eiseres] B.V. </para>
        <para>De verrekeningsbevoegdheid volgende uit artikel 6 van de ontvlechtingsovereenkomst ziet niet op de hiervoor vermelde vorderingen ii en iii). Daarnaast betwist [eiseres] B.V.  <emphasis role="italic">niet</emphasis> dat sprake was van een bestendige gedragslijn tussen partijen waarbij partijen in het verleden gebruik maakte van een zogenaamde meerpartijen verrekening, maar betwist <emphasis role="italic">wel</emphasis> dat partijen deze gedragslijn ook na de zogenaamde ontvlechting hebben willen voortzetten. Partijen wilde nu juist definitief van elkaar af zijn. Dit is de reden waarom de overeenkomst van geldlening, meer in het bijzonder artikel 5 van de overeenkomst van geldlening, op deze wijze is opgesteld. Bovendien heeft de door [gedaagde] B.V. gestelde cessie van de vorderingen van Kijlstra B.V. op [naam 1] aan [gedaagde] B.V. na opeising van de geldlening plaatsgevonden, zodat [gedaagde] B.V. ook op die grond niet verrekeningsbevoegd was ten aanzien van de hiervoor vermelde vorderingen ii) en iii). Hetzelfde heeft te gelden voor de mogelijke onrechtmatige gedragingen die [naam 1] jegens [gedaagde] B.V. zou hebben gepleegd, hetgeen door [eiseres] B.V. overigens wordt betwist.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding eerst te oordelen over het verweer van [gedaagde] B.V. dat zij gerechtigd was de door Kijlstra B.V. ten behoeve van [naam 1] voldane doorlopende kosten, waaronder kosten voor het gebruik van een brandstofpas, te verrekenen met de door haar aan [eiseres] B.V. verschuldigde kwartaaltermijnen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 6:127 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Vaststaat dat er geen sprake is van een situatie waarbij de vordering en de schuld uit dezelfde rechtsverhouding voortkomen. Immers de vordering vloeit voort uit een rechtsverhouding tussen [eiseres] B.V. en [gedaagde] B.V., terwijl de schuld voortvloeit uit een rechtsverhouding tussen de heer [naam 1] en Kijlstra B.V. Daarnaast hebben de door [gedaagde] B.V. gestelde cessie en de mededeling daarvan aan [eiseres] B.V. plaatsgevonden nadat [gedaagde] B.V. zich op haar verrekeningsbevoegdheid had beroepen, zodat zij destijds ook overigens niet bevoegd was tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Vorenstaande heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 6:127 lid 2 BW en het [gedaagde] B.V. op grond van de wet niet vrijstond de aan haar door Kijlstra B.V. gecedeerde vordering met haar schuld aan [eiseres] B.V. te verrekenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Voornoemde bepaling waarin de wettelijke bevoegdheid tot verrekening is bepaald is van regelend recht, hetgeen betekent dat er bij overeenkomst van kan worden afgeweken. In dit kader zijn door [gedaagde] B.V. de hiervoor onder a), b) en c) genoemde gronden naar voren gebracht. </para>
        <para>Ad. a)  [gedaagde] B.V. wijst er op dat aan haar in artikel 6 van de ontvlechtingsovereenkomst expliciet de bevoegdheid is toegekend de bijdrageverplichting van [eiseres] B.V. te verrekenen met de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening. Deze bepaling ziet evenwel op de mogelijkheid om een mogelijk verlies in het kader van de verkoop van “OG Emmen” te verrekenen met verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening, en niet op de mogelijkheid een vordering van Kijlstra B.V. met de verplichtingen van [gedaagde] B.V. voortvloeiende uit deze geldlening te verrekenen. </para>
        <para>Ad. c)  Ook levert het feit dat verschillende doorlopende kosten van [naam 1] door Kijlstra B.V. zijn voldaan geen onrechtmatige daad van [eiseres] B.V. jegens [gedaagde] B.V. op en daarmee geen zelfstandige bevoegdheid een mogelijke vordering uit onrechtmatige daad te verrekenen met een vordering van [eiseres] B.V. op [gedaagde] B.V.</para>
        <para>Ad. b) Blijft ter beoordeling over de stelling van [gedaagde] B.V. dat het tussen partijen te doen gebruikelijk was om privéuitgaven in rekening-courant te boeken tussen Kijlstra B.V. en [bedrijf] en vervolgens tussen [bedrijf] en de persoonlijke holding van beide broers, zodat de door Kijlstra B.V. ten behoeve van [eiseres] B.V. en [naam 1] voldane privéonttrekkingen (uiteindelijk) als een vordering tussen [bedrijf] en [eiseres] B.V. hebben te gelden, zodat [gedaagde] B.V. om die reden verrekeningsbevoegd is.</para>
        <para>Zoals [gedaagde] B.V. ter mondelinge behandeling desgevraagd heeft toegelicht was deze wijze van verrekening gebruikelijk tot aan het ontvlechtingsmoment. Beide partijen geven aan dat zij middels het sluiten van de verschillende overeenkomsten in het kader van de ontvlechting hebben beoogd de activiteiten en gezamenlijke bezitting volledig te ontvlechten, in die zin dat beide broers over en weer geen enkele betrokkenheid zouden hebben met de aan de ander toebedeelde activiteiten. Daarin past niet de stelling van [gedaagde] B.V. dat partijen het bestendige gebruik van voorheen hebben willen voortzetten, integendeel. Bovendien valt uit artikel 6 van de ontvlechtingsovereenkomst nu juist op te maken dat partijen expliciet met elkaar zijn overeengekomen met welke posten wel kon worden verrekend. De door Kijlstra B.V. voldane privékosten van de heer [naam 1] behoren daar niet toe. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van oordeel is dat het [gedaagde] B.V. niet vrijstond om een vordering van Kijlstra B.V. op de heer [naam 1] met de door [gedaagde] B.V. aan [eiseres] B.V. verschuldigde betalingstermijnen te verrekenen. Dientengevolge is [gedaagde] B.V. – met het onbetaald laten van een bedrag van € 2.543,-- ten aanzien van de door de heer [naam 1] gedane privé-onttrekkingen ten lasten van Kijlstra B.V. – reeds tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van geldlening zoals bedoeld in artikel 5.1.2. Dientengevolge is  – in beginsel – de geldlening op grond van artikel 5.1. in zijn volledigheid opeisbaar geworden. </para>
        <para>In beginsel, omdat dient te worden beoordeeld of de hierna te behandelen onderdelen van het verweer van [gedaagde] B.V., aan toewijzing van die vorderingen in de weg staan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Correctie op grond van de redelijkheid en billijkheid ex 6:248 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is verder niet in geschil dat bij een tekortkoming zoals omschreven in artikel 5.1.2. van de overeenkomst van geldlening (lees: in casu, wanneer het beroep van [gedaagde] B.V. op verrekening niet zou slagen) artikel 5.1 van de overeenkomst van geldlening leidt tot het recht van [eiseres] B.V. om de hoofdsom en daarover verschuldigde contractuele rente in eens op te eisen. </para>
        <para>
          [gedaagde] B.V. verweert zich evenwel nog met de stelling dat, ook indien aan [eiseres] B.V. in beginsel het recht toekomt om op grond van artikel 5 van de overeenkomst van geldlening de hoofdsom ineens op te eisen, een beroep op dit artikel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] B.V. stelt daartoe dat aan de zijde van [eiseres] B.V. een onvoldoende zwaarwegende grond bestaat voor haar beroep op artikel 5 van de overeenkomst, de gerechtvaardigde belangen van [gedaagde] B.V. zich hiertegen verzetten en hierbij niet wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. </para>
        <para>Volgens [gedaagde] B.V. heeft [eiseres] B.V. geen belang bij haar vorderingen nu zij geen enkel financieel risico loopt. [gedaagde] B.V. heeft zich immer aan alle lopende betalingsverplichtingen gehouden en is ook instaat de verdere verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening na te (blijven) komen. </para>
        <para>Daar staat tegenover het belang van [gedaagde] B.V. bij voortzetting van de overeenkomst van geldlening. [gedaagde] B.V. is thans niet in staat de volledige hoofdsom, althans het restant daarvan, aan [eiseres] B.V. te voldoen. De continuïteit van de onderneming komt in gevaar en daarmee de belangen van haar werknemers (tevens zijnde de voormalige werknemers van [naam 1] ) als [eiseres] B.V. over zal gaan tot opeising van de resterende hoofdsom. Deze belangen dienen zwaarder te wegen dan de belangen van [eiseres] B.V. bij onverkorte nakoming van de overeenkomst van geldlening. </para>
        <para>Bovendien bestaan er ook minder vergaande juridische mogelijkheden voor [eiseres] B.V. om tot hetzelfde resultaat te komen en heeft [gedaagde] B.V.  ook overigens expliciet aan [eiseres] B.V. aangeboden alsnog het bedrag van € 35.568,71 (welk bedrag bovendien uiterst gering is ten opzichte van het geldelijke belang van de gehele ontvlechting en de hoofdsom) te voldoen, maar dit aanbod is door [eiseres] B.V. geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>
        [eiseres] B.V. werpt hiertegen het volgende op. De inhoud van de overeenkomst is duidelijk. [gedaagde] B.V. wist heel goed wat de risico’s zouden zijn van het achterwege laten van de betaling van het bedrag van € 35.568,71, namelijk de opeisbaarheid van de totale geldlening. Dat wist [gedaagde] B.V. omdat zij werd bijgestaan door een advocaat in het kader van de totstandkoming van diverse overeenkomsten die daarnaast tot op elke punt en elke komma zijn uit onderhandeld. [eiseres] B.V. heeft [gedaagde] B.V. bovendien middels haar sommatie van 8 oktober 2019 nog eens expliciet gewezen op het risico dat zij zou lopen wanneer zij het bedrag van € 35.568,71 ondanks sommatie niet zou voldoen. Ook was het voor [gedaagde] B.V. heel makkelijk geweest om wel te voldoen aan de betalingsverplichtingen die zij op basis van de overeenkomst van geldlening had en daarbij te vermelden dat [gedaagde] B.V. zich ten aanzien van de door haar opgeworpen verrekeningsvorderingen alle rechten voorbehoudt. [gedaagde] B.V. had dan vervolgens ter zake van die vorderingen een separate procedure kunnen starten. Dat was allemaal mogelijk geweest, maar [gedaagde] B.V. heeft – met bijstand van een advocaat – welbewust voor een andere weg gekozen. Als zich dan achteraf het risico verwezenlijk dat bij [gedaagde] B.V. bekend was, althans bekend had moeten zijn, gaat het niet aan om achteraf te stellen dat het beroep van [eiseres] B.V. op nakoming van de tussen partijen gemaakte heldere afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Ter toetsing staat of het beroep door [eiseres] B.V. op artikel 5 van de overeenkomst van geldlening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is. Bij overeenkomsten tussen professioneel dan wel commercieel handelende partijen is terughoudendheid gepast waar het gaat om het op grond van artikel 6:248 lid 2 BW buiten toepassing laten van bedingen die voor een van de betrokkenen nadelig kunnen uitvallen (Vgl. HR 15 oktober 2004, LJN AP1664), zoals in casu artikel 5 van de overeenkomst van geldlening. Gezien het uitvoerige onderhandelingsproces dat vooraf is gegaan aan de totstandkoming van de overeenkomst van geldlening – dat bovendien tussen twee professionele partijen heeft plaatsgevonden onder begeleiding van ter zake deskundige advocaten – ziet de rechtbank voldoende aanleiding om ook hier deze terughoudendheid te betrachten. Naar het oordeel van de rechtbank is de wens van [eiseres] B.V. om de overeenkomst strikt na te leven om aldus iedere verdere discussie in de toekomst tussen partijen te voorkomen een voldoende zwaarwegend belang om een beroep op artikel 5 van de overeenkomst te rechtvaardigen, mede gezien de veelvoud van gerechtelijke procedures tussen partijen en de inmiddels ernstig verstoorde relatie tussen de heer [naam 2] en [naam 1] . De consequenties van het in strijd met de overeenkomst handelen van [gedaagde] B.V. dienen naar het oordeel van de rechtbank bovendien voor haar eigen rekening en risico te komen nu het in haar eigen macht lag deze door haar gestelde – en door [eiseres] B.V. betwiste – verstrekkende gevolgen te voorkomen door – na ontvangst van de sommatiebrief van [eiseres] B.V. – alsnog aan haar betalingsverplichting jegens [eiseres] B.V. te voldoen en deze vordering via een andere weg te gelden te maken. Dat zij hier niet voor heeft gekozen kan [eiseres] B.V. niet worden tegengeworpen. Het beroep van [eiseres] B.V. op artikel 5 van de overeenkomst van geldlening acht de rechtbank dan ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Misbruik van omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Tot slot voert [gedaagde] B.V. nog aan dat het inroepen van de opzeggings-bevoegdheid in de gegeven omstandigheden misbruik van die bevoegdheid oplevert. Deze bevoegdheid wordt door [eiseres] B.V. immers met geen ander doel gebruikt dan [gedaagde] B.V. te schaden, waardoor [eiseres] B.V. ingevolge artikel 3:13 BW niet in redelijkheid tot uitoefening van haar opzeggingsbevoegdheid had kunnen komen, aldus [gedaagde] B.V.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling is dat door [eiseres] B.V. gemotiveerd betwist. Bij die gelegenheid heeft [eiseres] B.V. aangegeven dat zij er belang aan hecht dat de door partijen gemaakte heldere afspraken onverkort worden nagekomen om aldus iedere verdere discussie tussen partijen te voorkomen. Gezien de turbulente geschiedenis van partijen, is het belang van [eiseres] B.V. bij onverkorte nakoming van de gemaakte afspraken tussen partijen evident. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [eiseres] B.V. een bevoegdheid uitoefent met geen ander doel dan de ander ( [gedaagde] B.V.) te schaden en, dientengevolge misbruik van bevoegdheid maakt. Het beroep op misbruik van bevoegdheid door [eiseres] B.V. wordt verworpen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Het voorgaande voert tot de slotsom dat [eiseres] B.V. zich op artikel 5 van de geldleningsovereenkomst heeft mogen beroepen, en de resterende hoofdsom direct opeisbaar is geworden. De daarover gevorderde contractuele rente zal als onweersproken worden toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Naar de rechtbank begrijpt is de resterende hoofdsom sinds het uitbrengen van de dagvaarding afgenomen met de nadien door [gedaagde] B.V. verrichte betalingen. De vordering tot betaling van € 1.623.068,81 zal daarom op daaraan aangepaste wijze worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Contractuele rente over vervroegde aflossing en kwartaalbetaling van in totaal € 3.792,23?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De door [eiseres] B.V. ingestelde rentevordering van € 3.792,23 zal hierna als onweersproken worden toegewezen. Ook de daarover gevorderde contractuele rente zal als onweersproken worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>
        [eiseres] B.V. maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 6.775,00. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] B.V. onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Proceskosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten </para>
        <para>worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] B.V. worden </para>
        <para>begroot op: </para>
        <para>griffierecht		€  4.030,00 </para>
        <para>explootkosten		€       99,01 </para>
        <para>salaris advocaat		<emphasis role="underline">€  7.712,00</emphasis>  (2 x tarief € 3.856)			</para>
        <para>totaal				€11.841,01 </para>
        <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Verder zal [gedaagde] B.V. worden veroordeeld in de nakosten. De nakosten zullen worden begroot en toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] B.V. om aan [eiseres] B.V. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het resterende deel van de hoofdsom uit hoofde van de overeenkomst van geldlening, tot een maximum van € 1.623.068,81, vermeerderd met de contractuele rente van 3.75% vanaf 1 juli 2019 over dat maximum tot de dag van volledige betaling; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] B.V. om aan [eiseres] B.V. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 3.792,23, vermeerderd met de contractuele rente van 3.75% vanaf 1 juli 2019 tot de dag van volledige betaling; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] B.V. tot op heden begroot op € 11.841,01 inclusief eventueel verschuldigde btw, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] B.V. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] B.V. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>wijst het anders of meer verzochte af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, rechter, bijgestaan door mr. C.M. Mellema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2020.<footnote-ref linkend="_a93fab07-fc1a-42cf-bf2b-921c95b94a94" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_a93fab07-fc1a-42cf-bf2b-921c95b94a94" label="1">
    <para>type: </para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>