<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:6813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-19T16:08:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/693836 / HA RK 347.2020</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:6813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:6813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-19T13:58:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:6813 Rechtbank Amsterdam , 08-12-2020 / C/13/693836 / HA RK 347.2020</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:6813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De grond tot wraking is kennelijk uitsluitend gelegen in een mogelijke in de toekomst te nemen beslissing. Een rechterlijke beslissing is geen grond tot wraking en een mogelijke beslissing dus evenmin.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:6813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wrakingskamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op het op 2 december 2020 ingekomen en onder zaak- en rekestnummer C/13/693836  HA RK 20/347 ingeschreven verzoek van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.A. Spoel, politierechter, hierna te noemen de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van:</para>
      <para>het wrakingsverzoek bij e-mail van 28 november 2020;</para>
      <para>de schriftelijke reactie van de rechter van 2 december 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten en het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker is verdachte in de strafzaak met parketnummer 13/197490-20. Deze zaak is bij de rechter in behandeling. Bij brief van 20 november 2020 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de dagvaarding en een verzoek tot aanhouding gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Verkeerstoren hem op 26 november 2020 als volgt geantwoord: “Naar aanleiding van het door u ingediende bezwaar tegen dagvaarding / verzoek om uitstel in uw zaak, met betrekking tot de zitting van 2 december 2020, kan ik u namens de Politierechter mededelen dat er niet op voorhand op uw verzoek zal worden beslist. Ter terechtzitting zal door de politierechter een definitieve beslissing genomen worden op het door u ingediende verzoek.”</para>
        <para>Op de terechtzitting van 2 december 2020 heeft de rechter de behandeling van het bezwaarschrift voor onbepaalde tijd aangehouden, teneinde verzoeker en zijn raadsman hiervoor te laten oproepen. De strafzaak van verzoeker is nog niet uitgeroepen en de rechter heeft ook geen beslissing genomen op het verzoek tot aanhouding van verzoeker. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij de politierechter zal wraken als deze zal volharden in de afwijzing van zijn verzoek van 20 november 2020 op grond van: “vooringenomenheid en belangenverstrengeling en partijdigheid en het schenden van artikel EVRM 6 en de Grondwet artikel 1 blijkens zijn/haar schrijven van 26 november 2020 jegens mij”.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 512 Sv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het verzoek tot wraking is gedaan onder de voorwaarde dat de rechter het aanhoudingsverzoek van verzoeker afwijst. De rechter heeft nog geen beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoeker dan wel op zijn verzoek tot uitstel. Hoewel de voorwaarde dus niet is vervuld, ziet de rechtbank aanleiding te overwegen dat de grond voor indiening van het wrakingsverzoek kennelijk uitsluitend is gelegen in een (nu nog in de toekomst gelegen, mogelijke) beslissing van de rechter. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1403) kan een beslissing van de rechter nimmer grond zijn voor wraking. A fortiori volgt daaruit dat een mogelijke beslissing dat ook niet kan zijn. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan derhalve achterwege blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Nu het wrakingsverzoek kennelijk geen ander doel dient dan om uitstel van de zitting te bewerkstelligen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van misbruik van het wrakingsinstrument. Om die reden zal de rechtbank bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling worden genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Wrakingskamer:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para> verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter,</para>
        <para> bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, P.B. Martens en K.A Brunner, leden en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>