<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:5313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-04T11:47:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/751358-20</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:5313">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:5313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-04T10:18:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:5313 Rechtbank Amsterdam , 13-10-2020 / 13/751358-20</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:5313:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overlevering. EAB Polen. Weigeringsgrond van art. 12 OLW van toepassing. Onder verwijzing naar rechtbank A'dam 18 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4032, overlevering geweigerd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:5313:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/751358-20</para>
      <para>RK nummer: 20/3749</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 oktober 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 april 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).</para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 27 februari 2020 door <emphasis role="italic">the Circuit Law Court in Świdnica</emphasis> (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon]
        </emphasis>,</para>
      <para>	geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, </para>
      <para>niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen, </para>
      <para>wonende op het adres: [adres verdachte] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna te noemen de opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. <?linebreak?>De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB wordt melding gemaakt van een <emphasis role="italic">Combined judgment (cumulative sentence)</emphasis> van <emphasis role="italic">the District Law Court of Swidnica</emphasis> van 6 december 2017 met kenmerk: II K 550/17. Het volgende is daarbij vermeld in onderdeel B: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In the decision rendered on the basis of Art.65 §2 of the Criminal Enforcement Code (k.k.w.) on the 9th of October 2018, file ref. Il Ko 1320/18, that same Court ordered the execution of the substitute penalty of deprivation of liberty of 358 days in place of the cumulative penalty of restriction of liberty for 2 years imposed on the subject under the above-mentioned combined judgment. The decision became final and legally valid on the 13th of November 2018. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit onderdeel E van het EAB volgt dat aan het verzamelvonnis van 6 december 2017 de volgende onderliggende vonnissen ten grondslag liggen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Een vonnis van <emphasis role="italic">the District Law Court for Wrocław - Krzyki in Wrocław</emphasis> van <?linebreak?>7 september 2016, met kenmerk VII K 559/16, waarbij is opgelegd <emphasis role="italic">a sentence of restriction of liberty for 1 year, consisting in doing unpaid supervised work of 30 hours a month for the community</emphasis>. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Een vonnis van <emphasis role="italic">the District Law Court of Swidnica</emphasis> van 31 januari 2017 met kenmerk II K 901/16, waarbij is opgelegd <emphasis role="italic">a sentence of restriction of liberty for 1 year, consisting in doing unpaid supervised work of 20 hours a month for the community</emphasis>. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een cumulatief vonnis, gebaseerd op een aantal onderliggende veroordelingen, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandelingen op de zitting die tot de veroordelingen hebben geleid, en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Een garantie zoals bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is niet verstrekt. <?linebreak?></para>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft meegedeeld bekend te zijn met het feit dat de rechtbank in Poolse overleveringsprocedures niet alle zaken aanhoudt, maar in sommige zaken de overlevering weigert op basis van artikel 12 OLW. Zij vindt dit niet juist, omdat het EAB op dit moment nog niet inhoudelijk kan worden beoordeeld, gelet op de prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot de bevoegdheid van de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit om EAB’s uit te vaardigen. Volgens de officier van justitie moeten de antwoorden daarop worden afgewacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wijst naar punt 6 van haar uitspraak van 18 augustus 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4032) en herhaalt daaruit de volgende passages: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gelet op de eerste prejudiciële vraag zal in beginsel geen beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering op basis van het voorliggende EAB plaatsvinden en zal de rechtbank in beginsel geen beslissing nemen over eventueel gevoerde verweren. De reden hiervoor is dat de status van de informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB of nadien is verstrekt, voorwerp van de prejudiciële vragen is (immers, bij het verstrekken van dergelijke informatie is onafhankelijkheid vereist). </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op deze gang van zaken maakt de rechtbank één uitzondering. Als de rechtbank (mede) op basis van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit reeds verschafte informatie concludeert dat één van de weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 2, 6-10, 12-13 en 26, vierde lid OLW juncto artikel 28, tweede lid, OLW van toepassing is, althans dat die informatie de toepasselijkheid van een dergelijke weigeringsgrond niet uitsluit, dan zal zij om proceseconomische redenen de overlevering weigeren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voor de goede orde wijst de rechtbank er op dat aanvullende informatie, gelet op de prejudiciële verwijzing, vooralsnog niet langer zal worden opgevraagd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak sprake is van de hiervoor genoemde uitzondering. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom niet aanhouden maar de overlevering om proceseconomische redenen weigeren op grond van artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Toepasselijke wetsbepaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT </emphasis>de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon] </emphasis>aan <emphasis role="italic">the Circuit Law Court in Świdnica</emphasis>, Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Aldus gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,	                                                                    voorzitter,</para>
      <para>mrs. Ch.A. van Dijk en L.Z. Achouak El Idrissi,	                                             rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster,                                         	griffier.</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare zitting van 13 oktober 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>