<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:4636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-28T12:04:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 4487</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4636">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4636</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-28T09:52:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:4636 Rechtbank Amsterdam , 25-08-2020 / AWB - 19 _ 4487</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4636:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ziektewet, 8:57, deugdelijke medische grondslag, motiveringsgebrek arbeidskundige grondslag gepasseerd met 6:22.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4636:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 19/4487 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te Amsterdam Zuidoost, eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.A. Adjiembaks),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 6 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) per 7 maart 2019 beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 17 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft gereageerd op schriftelijk door de rechtbank gestelde vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zitting was gepland op 30 maart 2020, maar die kon niet doorgaan vanwege de afgekondigde maatregelen door het coronavirus. De rechtbank heeft partijen vervolgens bericht dat een zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij op zitting wenst te worden gehoord. Partijen hebben daar niet op gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten, zonder het houden van een nadere zitting conform het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres was voor het laatst werkzaam als verzorgende waarbij zij voor twee werkgevers gecombineerd 37,47 uur per week werkte. Op 12 maart 2018 heeft eiseres zich ziek gemeld vanuit een situatie dat zij uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontving.</para>
    <para />
    <para>2. In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft verweerder met het primaire besluit vastgesteld dat eiseres geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de ZW, omdat eiseres meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft een heroverweging door verweerder plaatsgevonden. Op grond van medische argumenten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. Op 21 mei 2019 is daarom een nieuwe Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat er ondanks de gewijzigde FML, geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Daarmee heeft verweerder ongewijzigd vastgesteld dat eiseres meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen en per 7 maart 2019 niet meer in aanmerking komt voor een ZW-uitkering.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat verweerder volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk.<footnote-ref linkend="_7aada4b4-992f-4a4d-ba12-0abdff9a56fb" /></para>
    <para />
    <para>4. Eiseres voert allereerst aan dat haar beperkingen in de FML van 21 mei 2019 te licht zijn vastgesteld. Dit geldt volgens eiseres met name ten aanzien van de rugklachten en pijn in de handen en pols. Het betreft beperkingen zoals reiken, buigen, knijp/grijpkracht en repetitieve hand/vingerbewegingen. Eiseres meent dat er vanwege haar slaapproblemen en de daarmee gepaard gaande vermoeidheid, een urenbeperking vastgesteld dient te worden.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en begrijpelijk heeft gemotiveerd op welke wijze en op basis waarvan de medische beperkingen van eiseres zijn vastgesteld. Eiseres is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur gezien. Daarnaast is dossieronderzoek verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft medische informatie van de behandelend psychiater bij zijn beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft rekening gehouden met de rugklachten en de pijn in de handen en pols van eiseres. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep reden gezien om eiseres aanvullend beperkt te achten ten aanzien van schroefbewegingen met arm en hand. Vanwege de rugklachten van eiseres heeft hij de flexie beperkt geacht tot 60 graden. In verband met de slaapproblemen van eiseres had de primaire verzekeringsarts ten aanzien van werktijden als beperkingen aangenomen dat eiseres niet in de nacht kan werken, gemiddeld ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week kan werken en geen onregelmatige diensten kan werken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat er geen extra beperkingen ten aanzien van werktijden geïndiceerd zijn naast de beperkingen die reeds door de primaire verzekeringsarts waren vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft in beroep geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar standpunten. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen en het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de beperkingen zoals die in de FML van 21 mei 2019 zijn vastgelegd. Dit betekent dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.</para>
    <para />
    <para>7. Eiseres voert vervolgens aan dat zij uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet kan opmaken dat er over de geselecteerde functies overleg is gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank oordeelt als volgt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met het rapport van 28 mei 2019 gereageerd op de arbeidskundige gronden van het beroep en toegelicht waarom de geselecteerde functies volgens de arbeidsdeskundige ondanks de gewijzigde FML passend zijn. Dat niet uit de rapportage blijkt of de arbeidsdeskundige hierover overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, maakt op zichzelf niet dat het rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres voert vervolgens aan dat drie geselecteerde functies voor haar ongeschikt zijn omdat er stof aanwezig is in de werkomgeving en eiseres allergisch is voor huisstofmijt. Twee van deze functies zijn ook vanwege het maken van schroefbewegingen met de hand en arm ongeschikt. Vanwege de ongeschiktheid van drie functies, blijven er volgens eiseres onvoldoende functies over om een schatting op te baseren waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage op 80-100% moet worden vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank oordeelt als volgt. Ten aanzien van de beperking op item 3.9 (voorheen 3.6) blijkt uit een signalering in de arbeidsdeskundige functiebeoordeling dat er in de functies ‘medior soldering operator (SBC-code 111180)’, ‘wikkelaar (nieuw en revisie, SBC-code 267053)’ en ‘samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130)’ sprake is van damp, maar niet van stof. De arbeidsdeskundige heeft voldoende toegelicht dat het gaat om relatief schone productieruimten waar geen huisstofmijt en pollen voorkomen.</para>
    <para />
    <para>11. Volgens de FML van 21 mei 2019 is eiseres ten aanzien van item 4.7 (schroefbeweging met de arm-hand) beperkt voor intensieve kracht. In de functie ‘wikkelaar (nieuw en revisie, SBC-code 267053)’ is volgens de arbeidsdeskundige geen intensieve kracht vereist. Dit wordt ondersteund door de toelichting van een arbeidsdeskundig analist die inhoudt dat er in de functie voor deze belasting weinig kracht wordt vereist. </para>
    <para />
    <para>12. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt dat de belasting met betrekking tot item 4.7 ook in de functie ‘samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130)’ niet bezwaarlijk is. De arbeidsdeskundige overweegt dat het gaat om het vastdraaien van kleine onderdelen ter grootte van 1 centimeter tot enkele decimeters en dat de belasting weinig kracht vereist. Dat de onderdelen klein zijn, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet automatisch dat er weinig kracht vereist is. Ook uit de overige informatie over de functie volgt deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet vanzelfsprekend. De rechtbank vindt daarom dat de geschiktheid van de functie ‘samensteller kunststof en rubberproducten (SBC-code 271130)’ niet toereikend is gemotiveerd. Daarmee kleeft een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. De rechtbank moet beoordelen wat het gevolg van dit motiveringsgebrek dient te zijn. </para>
    <para />
    <para>13. In de beroepsprocedure heeft de rechtbank over het hiervoor genoemde punt nadere vragen gesteld aan verweerder. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens contact gehad met de arbeidsdeskundig analist en aanvullende informatie van deze analist overgelegd. De analist schrijft: “<emphasis role="italic">Er wordt gewerkt met lichte (meestal kunststof) onderdelen voor diverse typen toiletreservoirs. Deze verschillen in grote maar zijn qua gewicht niet zwaar. Bij het veelvuldig klikken, draaien, duwen is geen intensieve kracht vereist</emphasis>”. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsgebrek met deze informatie in de beroepsprocedure door verweerder hersteld. Het is niet aannemelijk dat eiseres is benadeeld door het gebrek. Ook als het motiveringsgebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De rechtbank ziet daarom aanleiding het gebrek van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.</para>
    <para />
    <para>14. Uitgaande van de beperkingen van eiseres zoals in de FML van 21 mei 2019 vastgelegd, is de rechtbank van oordeel dat eiseres terecht door verweerder in staat is geacht om de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. Dit betekent dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidsdeskundige grondslag berust. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>15. Het beroep is ongegrond Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Gelet op wat in 12 en 13 overwogen, ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatigde verleende rechtsbijstand vast op € 525,-. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Georgiades, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd de uitspraak </para>
      <para>te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.</para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7aada4b4-992f-4a4d-ba12-0abdff9a56fb" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1683.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>