<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:14:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8123999 CV EXPL 19-22260</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verstek">Verstek</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2020/102</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:448">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:448</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-12T15:42:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:448 Rechtbank Amsterdam , 03-02-2020 / 8123999 CV EXPL 19-22260</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:448:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstek ambtshalve toetsen. Overeenkomst korter dan jaar. Niet gebleken dat is gewezen op recht op ontbinding. Ontbindingstermijn verlengd met jaar. Geen betalingsverplichting o.g.v. 6:230o BW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:448:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ae281851-1615-4b73-bcc6-4b74d836ebbd" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="fdfd71cc-d169-491d-96c0-1f140483d515" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 8123999  CV EXPL 19-22260</para>
      <para>vonnis van:  3 februari 2020</para>
      <para>fno.:  991</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">vonnis van de kantonrechter</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>i n z a k e</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Ziggo Services B.V.</bridgehead>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Utrecht</para>
      <para>eisende partij</para>
      <para>gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [gedaagde]
    </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te Amsterdam</para>
      <para>gedaagde partij</para>
      <para>niet verschenen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Verloop van de procedure</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij dagvaarding van 4 oktober 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 274,99 met nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>Gronden van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisende partij vordert betaling van € 231,82 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.</para>
      <para>Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.</para>
      <para>Gedaagde partij is consument, althans wordt vermoed consument te zijn. Om de vordering te beoordelen dient de kantonrechter te beschikken over voor de beslissing in onderhavige consumentenzaak van belang zijnde feiten en stukken. Dit kan bijvoorbeeld door invulling van de vragen van het door de rechtbank Amsterdam op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers overgelegde informatieformulier voor consumentenverstekzaken, met overlegging van de daarin aangegeven stukken.</para>
      <para>Eisende partij heeft niets gesteld over de sluitingsdatum van de overeenkomst en heeft evenmin de tussen partijen gesloten overeenkomst overgelegd. Voor zover de overeenkomst niet aanwezig is, omdat deze - zoals eisende partij stelt - buiten een verkoopruimte, dan wel op afstand tot stand is gekomen, heeft eisende partij evenmin een gedateerde welkomstbrief overgelegd, waar zij in de toelichting van productie 2 naar verwijst, waarin volgens haar de kenmerken en specificaties van het abonnement staan. Hierdoor heeft eisende partij onvoldoende onderbouwd dat van de koop op afstand een bevestiging van onder meer de prestaties, de persoonsgegevens en het recht op ontbinding op een duurzame drager aan gedaagde partij is verstrekt (artikel 6:230t BW). </para>
      <para>Verder heeft eisende partij weliswaar een uitgebreide toelichting gegeven over de verplichtingen uit artikel 6:230m BW, maar niet is gebleken dat alle in die toelichting beschreven wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen naar behoren zijn uitgevoerd. Voor bepaalde onderdelen, bijvoorbeeld de informatie met betrekking tot ontbinding, herroeping en klachtafhandelingsbeleid, wordt slechts verwezen naar diverse vindplaatsen op de website van eisende partij, dan wel naar de algemene voorwaarden. Dat is geen duidelijke en begrijpelijke informatieverstrekking in de zin van artikel 6:230m BW e.v. Eisende partij verstrekt immers niet alle informatie aan gedaagde partij ten tijde van of direct na het bestelproces, maar geeft slechts achteraf, in deze procedure, een toelichting waar bepaalde informatie op haar website kan worden gevonden. </para>
      <para>In de dagvaarding staat dat gedaagde partij tot aan de beëindigingsdatum (15 november 2018) van de overeenkomst zes maanden gebruik heeft gemaakt van de door eisende partij verstrekte ‘Mediabox XL’. De kantonrechter leidt uit de gestelde beëindigingsdatum af dat de overeenkomst medio mei 2018 is aangegaan, althans in ieder geval minder dan een jaar heeft geduurd. Eisende partij stelt dat de overeenkomst is beëindigd vanwege opzegging door gedaagde partij. Nu in de vorige alinea is geoordeeld dat niet is gebleken dat gedaagde partij (op de juiste wijze) is gewezen op het recht op ontbinding, wordt de ontbindingstermijn van 14 dagen op grond van artikel 6:230o lid 1 sub a jo. lid 2 BW verlengd met een termijn van maximaal een jaar. Dat heeft tot gevolg dat gedaagde partij de overeenkomst met eisende partij heeft opgezegd binnen de wettelijke ontbindingstermijn. In dat geval bestaat voor gedaagde partij geen betalingsverplichting.</para>
      <para>De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <?linebreak?>Beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <para>wijst de vordering af;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>veroordeelt eisende partij in de proceskosten die aan de zijde van gedaagde partij tot op heden begroot worden op nihil.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>