<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2020:4352</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-22T16:38:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 20 _ 3262</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4352">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2020:4352</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-22T16:38:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2020:4352 Rechtbank Amsterdam , 03-09-2020 / AWB - 20 _ 3262</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4352:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig. Gegrond. Geen nieuwe beslissing op bezwaar na uitspraak in hoger beroep. Geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van een ingebrekestelling. Hogere dwangsom wegens niet voldoen aan opdracht van de Raad.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2020:4352:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 20/3262 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde [naam] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Amsterdam</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 10 juni 2020 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft in dit dossier geen stukken ingediend. De rechtbank gaat daarom uit van de door eiseres verstrekte informatie. Op 14 april 2020 heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) uitspraak gedaan op het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank van 1 februari 2018 17/2531. De Raad heeft het beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd. Daarnaast heeft de Raad verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016 te nemen. Hierbij is geen termijn gesteld. Tot op heden is niet gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen.</para>
    <para />
    <para>3. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.</para>
    <para>Gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, bedroeg de termijn voor het nemen van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar zes weken. Als na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter geen termijn voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar is gesteld, moet het bestuursorgaan in beginsel beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het nemen van het vernietigde besluit.<footnote-ref linkend="_37763cd9-b5e5-4754-a074-ee6822d5262c" /> Voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2016, geldt daarom eveneens een termijn van zes weken, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitspraak van de Raad, zijnde 14 april 2020. Dat betekent dat uiterlijk op 26 mei 2020 op het bezwaar had moeten zijn beslist. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de Raad. Eiseres heeft verweerder voorafgaand aan het indienen van het beroepschrift niet in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit, zodat in beginsel niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van dit beroep. De rechtbank verbindt hier echter geen consequenties aan. De Raad heeft verweerder in de eerdergenoemde uitspraak van 14 april 2020 namelijk opdracht gegeven een nieuwe beslissing te nemen over de bijstandsaanvraag van eiseres. Aan die opdracht heeft verweerder niet voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom van eiseres redelijkerwijs niet gevergd worden dat zij verweerder hiervoor opnieuw in gebreke stelt.<footnote-ref linkend="_d00b0409-0f2b-4c85-8e28-3f19cc5eb3b5" /> De rechtbank sluit hiermee aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019.<footnote-ref linkend="_e1686f27-4e6a-4f8e-8e76-6f4bca68ad69" /></para>
    <para />
    <para>5. Het beroep is dus gegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Als een beschikking niet op tijd wordt genomen, is het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd voor elke dag (vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de ingebrekestelling) dat het in gebreke is voor ten hoogste 42 dagen.<footnote-ref linkend="_879f3645-48fb-4efe-9708-767dfbd43190" /> Eiseres heeft niet verzocht om de dwangsom door de rechtbank vast te laten stellen. Dat betekent dat verweerder dit met het nog te nemen besluit moet doen.<footnote-ref linkend="_740523b8-060a-460f-b783-6de8e306ffed" /></para>
    <para />
    <para>7. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.<footnote-ref linkend="_b9fc0944-6077-4eee-a06c-e002bd88a53d" /> Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Dat betekent dat verweerder uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.</para>
    <para>8. De rechtbank overweegt dat een sterke prikkel nodig is vanwege de gebleken weigerachtigheid van verweerder om de opdracht van de Raad uit te voeren en een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. De rechtbank bepaalt dan ook met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 250,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 37.500,- .</para>
    <para>9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 250,50. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen <emphasis role="bold">14 dagen na de dag van verzending van deze uitspraak</emphasis> een beslissing op het bezwaar bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 250,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 250,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. </para>
  </section>
  <footnote id="_37763cd9-b5e5-4754-a074-ee6822d5262c" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad 22 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2275. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d00b0409-0f2b-4c85-8e28-3f19cc5eb3b5" label="2">
    <para> Zie ook artikel 6:12, derde lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1686f27-4e6a-4f8e-8e76-6f4bca68ad69" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:673.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_879f3645-48fb-4efe-9708-767dfbd43190" label="4">
    <para> Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_740523b8-060a-460f-b783-6de8e306ffed" label="5">
    <para> Artikel 4:18, en artikel 8:55c van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9fc0944-6077-4eee-a06c-e002bd88a53d" label="6">
    <para> artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>